In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als
afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal
20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In
geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste
stam. In afwijking van het hiervoor gestelde kan de
dwarsdoorsnede kleiner zijn dan 20 cm op 1,3 meter boven het
maaiveld, indien sprake is van een houtopstand in het kader
van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in
artikel 14:11f;
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere
houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van
hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van
heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een
struweel of een heg, met de onder sub a genoemde minimale
dwarsdoorsnede;
hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
de stronk uitlopen;
vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan
20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip
van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel
boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging
of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen
hebben;
rooien: het geheel verwijderen van het boven- en
ondergrondse deel van de houtopstand;
kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het
bovengrondse deel van de houtopstand;
kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een
hoofdstam met takstompen. Met als richtlijn dat de lengte
van de takstomp 8-maal de doorsnede van de tak moet zijn en
dat de takken ongeveer op dezelfde lengte vanaf de stam
afgezet worden;
dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
houtopstand;
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
landbouwgrond: grond waarop een vorm van de volgende cultuur
bedreven wordt: akkerbouw, veehouderij, pluimveehouderij,
tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van
bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke
andere vorm van bodemcultuur hier te lande met uitzondering
van bosbouw;
Hoofdstuk 4 › Afdeling 3
Artikel 4:10
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2016