Centraal staat de zelfredzaamheid en het organisatorisch vermogen van personen met beperkingen. Vanuit eigen kracht en verantwoordelijkheid willen wij de zelfredzaamheid versterken. Dit betekent dat we een afweging maken bij een hulpvraag en de eigen mogelijkheden van de hulpvrager betrekken of diens omgeving alvorens ondersteuning te bieden.
Een beperking hoeft per definitie niet te leiden tot verminderde zelfredzaamheid of een participatieprobleem zoals bedoeld in de Wmo. En niet elke beperking van de zelfredzaamheid of participatie vraagt om ondersteuning van de gemeente. Door eigen oplossingen in te zetten kan in veel gevallen een levenspatroon voortgezet worden dat als aanvaardbaar gezien kan worden. Dit is anders wanneer de beperkingen leiden tot een probleem in de zelfredzaamheid dat niet met eigen oplossingen of hulp van anderen kan worden opgelost. Om te kunnen bepalen of en welke ondersteuning nodig is, is zorgvuldig onderzoek noodzakelijk. Dat onderzoek richt zich op het geobjectiveerd vaststellen van beperkingen en het verlies van zelfredzaamheid en participatie dat hieruit voortkomt.
Soms kan een burger zijn beperking in de zelfredzaamheid zelf oplossen door aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening. Indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking, is een beroep op de ondersteuning bij de gemeente niet noodzakelijk. De hulpvrager heeft dan zelf de mogelijkheid om ook deze kosten te dragen.
Bij het doen van een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de burger kijken we altijd naar de individuele situatie. Van de hulpvrager vragen we dat hij bij keuzes die hij maakt, rekening houdt met zijn levensfase en de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden. Een hulpvrager moet naar levensfase anticiperen op zijn eigen participatiebehoeften. Er kunnen altijd individuele omstandigheden zijn, waardoor dit geen reële vraag blijkt en een beroep op ondersteuning van de gemeente noodzakelijk is.
De gemeente ondersteunt als de eigen mogelijkheden niet leiden tot een aanvaardbare oplossing voor de hulpvrager. Indien een burger komt met een hulpvraag, doorloopt de Wmo-consulent samen met de hulpvrager de volgende stappen:
Vraagverheldering en vraaganalyse
De Wmo-consulent benadert de hulpvraag van de klant niet vanuit het aanbod aan producten. Niet de gevraagde voorziening staat centraal, maar eerst wordt samen helder omschreven wat de vraag van de cliënt is en wat het probleem is in de vermindering van de zelfredzaamheid van de burger.
Begeleiden en sturen eigen verantwoordelijkheid
Als de vraag en het doel in beeld is, wordt samen met de hulpvrager de mogelijkheden bekeken om dit te bereiken. Kan de hulpvrager zelf (deels) bijdragen aan het oplossen van het probleem? Kan de omgeving, de buurt ondersteuning bieden?
Van een burger mogen we verwachten dat hij op adequate wijze anticipeert op (komende) veranderingen in diens leefsituatie, waarbij de burger:
eerst naar de eigen mogelijkheden kijkt;
een beroep doet op het eigen netwerk;
eigen financiële middelen inzet.
De wet staat niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend ofgeweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid ineigen oplossingen te voorzien. Het college mag hierop een beroep doen in het gesprek met deburger maar het mag geen reden zijn om een passende bijdrage te weigeren. Iemand met veelfinanciële middelen betaalt veelal ook een hoge eigen bijdrage en betaalt zodoende feitelijkmee aan de oplossing.
Ondersteuning de gemeente
Als de cliënt zijn hulpvraag niet op eigen kracht kan oplossen en zijn doel kan bereiken is dat voor de gemeente aanleiding de noodzakelijke en passende ondersteuning te bieden.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.2
Eigen kracht
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2016