Onverminderd het bepaalde in artikel 1.11 kan de burgemeester de
vergunning intrekken:
a: indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de
inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden
verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen
voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
inrichting;
b: indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat
dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
gepleegd;
c: indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten
hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven
van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een
bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
van de inrichting;
d: indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich
schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een
verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering
daarvan.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 1
Artikel 2.3.1.9
Intrekkinggronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening