Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.
briefnummer: CvA/2004001009
Vermindering
Artikel 10:15
Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
WAJONG of de WA, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop
hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is
gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het
wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die
inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de
bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging
overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het
bepaalde in artikel 10:19, eersre lid, niet in aanmerking genomen.
Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en
die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij
gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en
waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden
inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De
inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het
ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In
afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende
wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering,
in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van
het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
bedrag aan overschrijding.
Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk vooraf
gaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.
Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
het ontslag.
Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.
briefnummer: ARZ/705435
Opgave van inkomsten
Artikel 10:16
De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke
mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk,
opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde
bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
wachtgeldtermijn op.
Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan eenjaar
mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het
bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.
Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.
Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.
briefnummer: CvA/2004001009
Verlenging
Artikel 10:17
Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
van het wachtgeld toegevoegd.
Opschorting
Artikel 10:18
Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak
op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de
betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of
verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling
opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
bestaat.
Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
militaire dienst.
briefnummer: CvA/2004001009
Samenloop
Artikel 10:19
Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80%: 80%; 55% tot 65%: 60%; 45%
tot 55%: 50%; 35% tot 45%: 40%; 25% tot 35%: 30%; 15% tot 25%: 20%;
minder dan 15%: 0%. De som van de in de eerste volzin bedoelde
WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld bedraagt voorts
niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien
er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt
het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
gebracht.
Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
vermindering ondergaat dan wel het recht op deze uitkering geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt gedurende de
termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts
uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven
gaat.
briefnummer: ARZ/705435
Betaling
Artikel 10:20
Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld
werd genoten.
Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
wachtgeld over langere termijnen geschieden.
briefnummer: CvA/2001002801
Afkoop
Artikel 10:21
In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
wordt vervangen door een afkoopsom.
briefnummer: CvA/2004001009
Verval van wachtgeld
Artikel 10:22
Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
verklaard:
indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig
doet;
indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt,
tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
gemaakt;
indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
duurzaam te verblijven;
indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn
gesteld;
indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag
zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;
indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding
zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
artikel 8:13 ontslag te verlenen.
Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten,
de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan
wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld
wordt toegekend.
Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens
het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is
dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers
of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige
functionering van de openbare dienst.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 10:23
Het recht op wachtgeld vervalt:
met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
leeftijd bereikt;
op de dag na het overlijden van de betrokkene;
op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar
op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
doen verlengen;
op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat
voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk
werk te aanvaarden.
Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit
wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van
artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
datum van ontslag.
briefnummer: 1997705435 en U201001917 en U201200194
Overlijdensuitkering
Artikel 10:24
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5,
over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering
ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen
dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.
Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in
artikel10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.
Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
ontoereikend is.
Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.
briefnummer: ARZ/801143
Overgangsbepalingen
Artikel 10:25
Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.
Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van
1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk
vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
verschil tussen beide.
Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens
begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens
artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1
augustus 1991.
Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens
begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens
artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1
augustus 1991.
Artikel 10:26
Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als
bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur,
nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
1995, heeft recht op een overgangsuitkering.
De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
termijnen betaald.
De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
bedragen dan 70% van de bezoldiging.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10:27
Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de
aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
verordening.
Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
hoofdstuk.
Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 10:28
Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23
van overeenkomstige toepassing.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601371
Slotbepaling
Artikel 10:29
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
december 2000.
briefnummer: CvA/2000004977
Hoofdstuk 10a BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING.
(Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
juli 2008 wordt ontslagen).
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 10a:1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de
Werkloosheidswet;
betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;
dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet,
zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel
22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar
kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende
uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en
de aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van
dit hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke
werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid
3.
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
genomen.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601371
§ 2. Aanvullende uitkering
Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
Artikel 10a:2
Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:
recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
en met 21 van de Werkloosheidswet en
werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
8:4, 8:5, 8:6,8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.
Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
CAR.
Betrokkene, die ter zake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet.
Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
briefnummer: Marz/CvA/U200601213
Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
Artikel 10a:3
De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
ontleend.
briefnummer: CvA/2000004977
Hoogte van de uitkering: indexering
Artikel 10a:4
De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
LOGA-partijen vastgestelde wijze.
Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag
van de aanvullende uitkering wijzigt.
briefnummer: CvA/2000004977 en ECCVA/U201002612
Hoogte van de uitkering: bedrag
Artikel 10a:5
De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
uitkering bedragen tezamen een percentage van de
berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.
Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:
gedurende de eerste vijftien maanden 80% en
vervolgens 70%.
Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van
de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.
Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld
in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van
ontslag
briefnummer: Marz/CvA/U200601213
Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11
augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
Artikel 10a:5a
De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5,
heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde
uitkering.
De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde
uitkering.
De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode
van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet
is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.
Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
toepassing.
Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde
uitkering in mindering gebracht.
briefnummer: CvA/2004003213
Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel
130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
Artikel 10a:5b
De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
Werkloosheidswet van toepassing is.
briefnummer: CvA/2004003213
Beëindiging van het recht op uitkering
Artikel 10a:6
De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
op de aanvullende uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Herleving van het recht op uitkering
Artikel 10a:7
De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Verlenging van het recht op uitkering
Artikel 10a:8
De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Verplichtingen en sancties
Artikel 10a:9
Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in
lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
aanvullende uitkering.
Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent
het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig
dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag
waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen
zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.
Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een
gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de
duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te
kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen
komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan
de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering
zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de
Werkloosheidswet.
briefnummer: CvA/2004001009
Anticumulatie
Artikel 10a:10
Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Scholing
Artikel 10a:11
De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
aanvullende uitkering.
briefnummer: CvA/
Aanvulling op ziekengeld
Artikel 10a:12
De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet
ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een
aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat
ziekengeld.
Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen
tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op
grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte
ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.
Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.
briefnummer: CvA/2002004755
Aanvulling op Waz-uitkering
Artikel 10a:12a
De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvullingtot
het voor haar geldende dagloon.
briefnummer: CvA/2002004755
Aanvulling op REA-uitkering
Artikel 10a:12b
De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij
proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op
een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie
arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende
uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij
geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er
ook in dit geval recht op aanvulling.
De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een
WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.
briefnummer: CvA/2004001026
Uitkering bij overlijden
Artikel 10a:13
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een
overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag
van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.
Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.
briefnummer: CvA/2000004977
Grensarbeiders
Artikel 10a:13a
De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een
WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft,
uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
woont.
De uitkering op grond van dit artikel:
eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel
a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering
op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;
is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden
is aan dat recht op een WW-uitkering.
De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht
heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de
aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
indien hij in Nederland zou hebben gewoond.
Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar
het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing
van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op
grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze
gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op
grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering
waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland
had gewoond.
Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid
naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in
mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over
dezelfde periode.
Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een
bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien
deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
briefnummer: CvA/2004001026
§ 3. Aansluitende uitkering
Diensttijd
Artikel 10a:14
In deze paragraaf wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan
het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden,
alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn
verklaard.
Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van
het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
regeling niet is verbonden.
In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
buiten beschouwing:
diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
jaar;
diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee
gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens
onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
overheidsregeling;
tijd, bedoeld in artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
pensioenreglement;
tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van
de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
ingaat.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601047
Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
Artikel 10a:15
Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:
recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
en met 21 van de Werkloosheidswet en
werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde
lid.
Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die
door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een
gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.
In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel
8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik
is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste
volzin biedt.
Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van
de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de
geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens
de Werkloosheidswet is verstreken.
Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het
recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.
Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering
op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering
ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de
Werkloosheidswet is verstreken.
Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling
indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
CAR.
De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel
8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in
artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de
Werkloosheidswet.
Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is ontstaan
uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
briefnummer: Marz/CvA/U200601213 en MARZ/CvA/U200601371
Duur van de uitkering
Artikel 10a:16
De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
maanden, vermeerderd voor de betrokkene:
die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
diensttijd;
die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
opklimmende met 1,5%.
De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:
de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
werkloosheid en
twee jaar.
Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan
van de datum van het ontslag.
De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55
jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
uitkering tot de eerste dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
bereikt.
briefnummer: U200601213 en U201001917 en U201200194
Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11
augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
Artikel 10a:16a
De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht
heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003
maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op
drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:
die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
diensttijd;
die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de
loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd
in artikel 10a:5a.
De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op
of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55
jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die
waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op
basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de
aansluitende uitkering.
Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
toepassing.
Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
uitkering in mindering gebracht.
briefnummer: CvA/2004003213
Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie artikel
130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
Artikel 10a:16b
De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
Werkloosheidswet van toepassing is.
briefnummer: CvA/2004003213
Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
Artikel 10a:17
Artikel 10a:3 is van toepassing opde aansluitende uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Hoogte van de uitkering: indexering
Artikel 10a:18
Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Hoogte van de uitkering: bedrag
Artikel 10a:19
De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag,
zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de
berekeningsgrondslag.
Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum
van ontslag.
Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
uitkering in mindering gebracht.
briefnummer: Marz/CvA/U200601213
Beëindiging van het recht op uitkering
Artikel 10a:20
De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van
overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.
In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op
een uitkering krachtens de Ziektewet.
Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de
uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het
verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering,
berekend overeenkomstig artikel 10a:16.
briefnummer: CvA/2000004977
Nawerking Ziektewet en Waz
Artikel 10a:20a
Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering
gebracht opde aansluitende uitkering.
briefnummer: CvA/2002004755
Herleving van het recht op uitkering
Artikel 10a:21
De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van
het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de
aansluitende uitkering.
Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet
van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet
zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
uitkering.
briefnummer: CvA/2004003213
Verplichtingen en sancties
Artikel 10a:22
Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.
Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Anticumulatie
Artikel 10a:23
Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
aansluitende uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Scholing
Artikel 10a:24
De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing op de aansluitende uitkering.
briefnummer: CvA/2000004977
Uitkering bij overlijden
Artikel 10a:25
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste Lid,
Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat
het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
weken.
Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.
briefnummer: CvA/2000004977
Grensarbeiders
Artikel 10a:25a
Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
hebben gewoond.
Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede,
vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
briefnummer: CvA/2004001026
§ 4. Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen
Regeling tegemoetkoming verhuiskosten
Artikel 10a:26
Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat
nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
verhuizing.
Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming
in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het
eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.
briefnummer: CvA/2001002801
Artikel 10a:27
Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:
de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te
verminderen;
te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
uitkeringsperiode;
arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde
tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de
overlegging van het arbeidscontract;
zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats
van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen
deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer
moet bedragen;
schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft
als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze
melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat
de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.
Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst
als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is
verhuisd.
briefnummer: CvA/2000004977
Reïntegratietoeslag
Artikel 10a:28
Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
indien:
hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet
aanvaardt en
het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager
is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
lid.
De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.
Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is
dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van
de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
berekeningsgrondslag.
Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke
aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
overeengekomen.
In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel
10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het
eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 10a:29
De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol
jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of
aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet
zou hebben verkregen.
Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van
het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht
zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar
beneden afgerond.
briefnummer: CvA/2000004977
Artikel 10a:30
De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:
indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;
indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
betrekking;
indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie
maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de
reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.
Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b
wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe
betrekking per kalenderweek:
ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
kalendenveek heeft verloren dat er minder dan vijf
arbeidsuren resteren of
minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van
de arbeidsuren resteren.
Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan
naar rato uitgekeerd.
De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis
vandit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
zijn.
Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid,
onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.
briefnummer: CvA/2000004977
Artikel 10a:31
De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking
aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
berekeningsgrondslag.
Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28,
derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe
betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar
rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
berekeningsgrondslag.
briefnummer: CvA/2000004977
Reïntegratiepremie
Artikel 10a:32
Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
toegekend indien:
betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
wegens werkloosheid geniet en
hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig
wordt opgeheven.
Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk
10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de
Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.
Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het
verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
uitkering.
Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene
op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en
10a:21 zijn dan niet van toepassing.
Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent
de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief
besloten op dit verzoek.
briefnummer: CvA/2000004977
Artikel 10a:33
De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke
uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is
op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe
werkgever.
Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de
berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum
van toekenning van de premie wordt vastgesteld.
Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.
briefnummer: CvA/2000004977
Artikel 10a:34
De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130maal het
dagloon van de betrokkene.
briefnummer: CvA/2000004977
§ 5. Overgangsbepalingen
Artikel 10a:35
(vervallen)
briefnummer: CvA/2002004194
Overige en slotbepalingen
Artikel 10a:36
Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
tenzij de LOGApartners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
Staatsblad.
briefnummer: CvA/2000004977
Artikel 10a:37
Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
briefnummer: CvA/2000004977
Slotbepaling
Artikel 10a:38
Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
juli 2008 wordt ontslagen.
Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO
moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de
tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.
Briefnummer: U200800330
Hoofdstuk 10d VAN WERK NAAR WERK-AANPAK EN VOORZIENINGEN BIJ
WERKLOOSHEID
§ 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen
Artikel 10d:1 Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van artikel 8:5,
8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3,
8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.
Briefnummer: U200800330 deel 1 en deel 2 en U200800798 en U200801115 en
U200801544 en U201300008
Artikel 10d:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
aanvullende uitkering: uitkering tijdens de
werkloosheidsuitkering;
grondslag: het gemiddelde van het salaris, de toegekende
salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3,
berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de
start van de re-integratiefase of de start van het Van werk naar
werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
eindejaarsuitkering. Deze wordt geïndexeerd met de generieke
salarisverhoging in de gemeentelijke sector;
gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen,
die de CAR van toepassing hebben verklaard;
boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie
niet kan terugkeren in de formatie na de reorganisatie;
na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de
werkloosheidsuitkering;
werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet,
waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de
aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente;
werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
arbeidsovereenkomst met de gemeente.
Briefnummers: U200800330, U200801112, U201300008, U201502055,
U201600450
§ 2 Samenloop met lokale afspraken
Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken
Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
bepalingen in dit hoofdstuk.
Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale
afspraken.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
§ 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
treft het college een passende regeling.
De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door
het college gehoord.
Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud
van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit
hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
§ 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid
of ongeschiktheid (art 8:6)
Artikel 10d:5 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door
middel van een reintegratieplan afspraken worden gemaakt over de
wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand
kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als
doelwerkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;
re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de
re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven
staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te
bevorderen.
Ledenbrief: U200800330 en U200801544
Artikel 10d:6 Re-ïntegratiefase voor ontslag
De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
recht op een reintegratiefase.
De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond
van artikel 8:6.
De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
overhandiging van het besluit tot ontslag.
De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij
wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van
indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de
datum van de start van de re-integratiefase.
De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband
van:
2 tot 10 jaar 4 maanden
10 tot 15 jaar 8 maanden
15 jaar of meer 12 maanden.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase
De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van
deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of
buiten de gemeente aanvaardt.
De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
re-integratieplan.
Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid
genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en
een na-wettelijke uitkering.
Ledenbrief: U200800330 en U200801112 en U201300008
Artikel 10d:8
De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens
de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
re-integratieplan.
De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
oorspronkelijke reintegratiefase.
Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.
Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken
uit het reintegratieplan van kracht.
Ledenbrief: U200800330 en U201300008
Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
levensloop
De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.
Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen
aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:
onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
arbeidsduur; en
de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed
opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling;
en
tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
ondernomen of voortgezet die de re-integratie
bevorderen.
Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
voortgezet.
Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
overeenkomstige toepassing.
Ledenbrief: U200800330 en U200801112 en U201300008
Artikel 10d:10 Re-integratieplan
Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan
op.
De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het
college gehoord.
In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
afspraken over:
verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
neergelegd zijn in het reintegratieplan;
scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing,
het begin van die scholing, het einde van die scholing, de
betaling en de te behalen resultaten;
opstellen arbeidsmarktprofiel;
sollicitatieactiviteiten.
In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten
voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De
kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits
redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een
maximum van € 7.500,=.
Briefnummer U200800330 en U201300008
§ 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid
Artikel 10d:11 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid
ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende
gemeente.
Briefnummer: U200800330 en, U201300008
Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject
De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot
verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting
In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde
ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van
werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op
plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of
aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.
Briefnummer : U200800330 en U201300008
Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
boventalligverklaring in werking is getreden.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
Inhoud Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek
Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken
college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
regionale arbeidsmarkt onderzocht.
Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
loopbaanadviseur worden ingeschakeld.
Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum
waarop het Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen
een maand na die datum afgerond.
Briefnummer U200800330 en U201300008
Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract
Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
werk-contract op.
Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
afspraken en daaraan verbonden termijnen.
Afspraken kunnen worden gemaakt over:
het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en
de tijdsduur daarvan;
het al dan niet elders opdoen van werkervaring;
de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk
naar werk-traject verricht;
het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
beschikbare budget;
eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken
uit het Van werk naar werk-onderzoek;
de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op
het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt
tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.
De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot
een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien
van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een
afzonderlijk besluit
Briefnummer U200800330 en U201300008
Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
werk-contract
Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt
de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie
maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een
verslag opgemaakt.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
Verlenging en einde Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al
dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente
aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere
reden.
Briefnummer U200800330 en U201300008
Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging
Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of
de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente
weigert.
Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van
het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich
niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
werk-contract.
Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het
eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag
verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op
die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval
kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid
en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
na-wettelijke uitkering.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur
Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten
of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd
loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college
over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de
evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De
ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.
Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op
de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de
kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn
vergroot.
Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
niet wordt overgenomen.
Briefnummer: U200800330 en U201300008
Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
werk-traject
Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.
Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet
wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
artikel 8:3.
Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag
na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.
Briefnummer U200800330 en U200801112 en U201300008
Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject
Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging
van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de
ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van
werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of
geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten
het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat
een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan
één keer worden verleend.
Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.
Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag
na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is
verlengd.
Briefnummer: U200800330 en U200801112 en U201300008
Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
werk-contract
Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij
zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk
naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in
een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk
afspraken te maken over verbetering.
Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het
eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk
naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen
dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract.
Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als
richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt
het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering
van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.
Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik
maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen
op grond van artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond
van artikel 8:3.
Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel
een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de
paritaire commissie.
Briefnummer U200800330 en U200801112 en U201300008
Artikel 10d:24 Paritaire commissie
Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen
in deze paragraaf.
Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.
De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een
bindend advies uit.
Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.
Briefnummer U200800330, U200801112, U200801544, U201300008, U201502055
§ 6 Aanvullende uitkering
Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering
Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:
op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de
orde is; of
op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
en deze ook daadwerkelijk ontvangt.
Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat
de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende
uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed
kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag
De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering
wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals
gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat
de ambtenaar werkloos is.
Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:
voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;
voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van €
5.250,= 20%;
voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.
Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:
voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
10;
voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,=
20%;
voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.
Briefnummer: U201300008, U201502055, U201600450
Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag
De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen
vanaf de dag na de dag van ontslag.
De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop
van de eerste fase en duurt tot het einde van de
werkloosheidsuitkering.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:28 Sancties
Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast
op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast
op de aanvullende uitkering.
Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie
op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.
Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast
kan het college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering
geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.
Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels
op.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering
De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.
Briefnummer: U201300008
§ 7 Na-wettelijke uitkering
Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering
De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht
op een na-wettelijke uitkering indien:
de werkloosheid direct aansluitend op de
werkloosheidsuitkering voortduurt;
hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
van zijn na-wettelijke uitkering.
Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het
ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering
De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
voortgezet.
Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat
de ambtenaar werkloos is.
De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in
verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag
zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden.
Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.
Briefnummer: U201300008, U201502055, U201600450
Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering
De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is :
1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar
2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
jaar
3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering
De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
verstreken.
De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
eindigt.
Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag
waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
Briefnummer: U201300008, U201401851, U201500231
Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering
Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
na-wettelijke uitkering.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:35 Afkoop
Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op
verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de
na-wettelijke uitkering.
Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
waaronder de afkoop verstrekt wordt.
Briefnummer: U201300008
§ 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
arbeidsongeschiktheid
Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die
gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid,
is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is
herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere
uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de
restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is
vastgesteld.
Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
bijzondere uitkering.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
7:16
De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de
toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de
nieuwe arbeid.
Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
mindering gebracht.
briefnummer: U201300008, U201502055
Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
7:16
De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
nieuwe arbeid.
Briefnummer: U201300008
Artikel 10d:39 Overgangsrecht
In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke uitkering
voor de ambtenaar die:
op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector
en
ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008
gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2)
jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.
Briefnummer: U201300008, U201300288, U201502055, U201600266
Hoofdstuk 11 UITKERINGSREGELING ONTSLAG
Betrokkene
Artikel 11:1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
ambtenaar aan wie ontslag is verleend:
op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking
waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling
minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in
een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;
op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
regeling, met uitzondering van artikel 8:9 , mits dat
ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan
eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag
geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
ontlenen.
Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij
of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel
buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats
moet veranderen.
briefnummer: ARZ/801143
Lichamen
Artikel 11:2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "lichamen": Rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.
Diensttijd
Artikel 11:3
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door
inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.
Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
zin van even genoemde regeling niet is verbonden.
In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft
buiten beschouwing:
diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
maand daarvan wegens verleend ontslag;
diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
toepassing van artikel 11:8, vierde lid;
diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
overheidsregeling;
tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement,
tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
van de datum waarop de uitkering ingaat.
Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP
wordtvergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering,
met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
briefnummer: 2000004977, U201502055
Dienstbetrekking
Artikel 11:4
Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
tegen bezoldiging of loon worden verricht.
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.
Bezoldiging
Artikel 11:5
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze
laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze
regeling, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.
Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.
Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
bezoldiging.
Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
gunste van betrokkene worden herzien.
briefnummer: ARZ/702674
Recht op uitkering
Artikel 11:6
Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
wordt vastgesteld:
voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26
weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
11.7;
voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste
drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in
artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge
artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel
11:8, vierde lid.
Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de
hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste
lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur
van de perioden van de bedoelde verhindering.
De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking
genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking
waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer
dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking
zijn genomen voor een recht op uitkering.
Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.
De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde
lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.
In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan
de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is
voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
plaatsgehad.
Geen recht op uitkering bestaat:
indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
80% of meer;
indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
suppletie als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze regeling;
indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd
van 65 jaar heeft bereikt;
indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;
indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht
moet worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;
voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem
eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling
een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met
zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend
is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.
De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op
uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
80%. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
wordt voor de toepassing van:
artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen,
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
of meer mede in aanmerking wordt genomen.
artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
ontslag.
Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
door de betrokkene.
briefnummer: CvA/2004001009
Duur van de uitkering
Artikel 11:7
De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
ontslag ingaat.
Indien de betrokkene:
in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
geweest of
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;
wordt de duur van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een
arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van
ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;
1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van
ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
en 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.
Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
door samentelling van:
perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
zijn geweest, en
de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.
Perioden, waarin een betrokkene:
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;
ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
of zou zijn berekend;
een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
of zou zijn berekend;
na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
in het derde lid.
Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de
perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
persoon een tot zijn huishouden behorend kind:
beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
bedoeld in het vierde lid, volledig, en
vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
voor de helft in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
verzorging niet meegeteld de periode waarin:
de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
uitkering ter zake van werkloosheid, of
de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
tijdens vakanties.
Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van
een die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.
Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder
een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 11:8
In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien
dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover
van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde
lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering
vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.
De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden,
gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven
wordt afgerond op hele maanden.
De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
hoogste vastgesteld op 24 maanden.
Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van
ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en
diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60
jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover
uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes
maanden een bijzondere verlenging verleend.
Vervolguitkering
Artikel 11:9
De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die
uitkering recht op een vervolguitkering.
De betrokkene die
het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
eerste lid, heeft bereikt, en
voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede
lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.
Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
vervolguitkering een jaar.
De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van
zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
jaar.
De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze
zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
bedoelde datum.
De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is
en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft
aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer
deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
vorige volzin bedoelde datum.
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
uitkering van overeenkomstige toepassing op de
vervolguitkering.
Bedrag van de uitkering
Artikel 11:10
Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.
Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de
bezoldiging.
Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3
procentpunten verhoogd.
Bedrag van de vervolguitkering
Artikel 11:11
Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon,
met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
van de bezoldiging.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of,
indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de
daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet.
Verhuiskosten
Artikel 11:12
Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.
briefnummer: CvA/2004001009
Vermindering
Artikel 11:13
Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in
artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het
bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering
vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering
ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.
Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en
die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking
ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht
op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer
was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in
het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen
met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de
betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering
doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand
waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip
van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
bedrag aan overschrijding.
Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is
toegekend.
Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
hand genomen vóór even bedoelde dag, is ten aanzien van die
inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt
echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
het ontslag.
Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.
briefnummer: 705435, U201502055
Opgave van inkomsten
Artikel 11:14
De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk
mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave
van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of
dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
alle even genoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen
van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.
Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke
uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.
Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.
Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.
briefnummer: 2004001009, U201502055
Overlijdensuitkering
Artikel 11:15
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in
artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde
partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld
in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de
overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken
ookzodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve
van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
overledene kostwinner was.
Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een
door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan
op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel
11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde
uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het
bedrag, bedoeld in het eerste lid.
Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of
van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
ontoereikend is.
Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.
briefnummer: ARZ/801143
Verplichtingen bij ziekte
Artikel 11:16
Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
te doen aan het college.
Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
lid.
Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van
de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
deze uitkering.
Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met WAO-uitkering
behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
briefnummer: CvA/2004003238
Uitkering bij ziekte
Artikel 11:17
Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft
op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met
11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens
ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met
ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering
toegekend van 80% van zijn bezoldiging.
De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene
deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft
genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit
luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
briefnummer: CvA/2000004977
Samenloop
Artikel 11:18
Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot
en met 11:15, opgeschort.
Afkoop
Artikel 11:19
Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
geheel of ten dele worden afgekocht.
briefnummer: ARZ/507386
Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
Artikel 11:20
Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid,
vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en
wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake
van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige
publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.
Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
werkloosheid begrepen:
het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
dienstbetrekking;
het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van
een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde
werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
bestaat.
Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering
als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft
opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene :
binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a,
arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en
in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet.
Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met
gewerkte weken.
De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes
maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende
uitkering als bedoeld in het eerste lid.
Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als
bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als
bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.
Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid,
niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het
opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.
briefnummer: CvA/2004001009
Verplichtingen
Artikel 11:21
Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt is
hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met
zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.
Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt,
is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op
die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen
daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het
arbeidsbureau aan het college over te leggen.
De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.
Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
betrokkenen.
De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich
te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het
algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot
het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.
Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er
in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college
daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze
regeling noodzakelijke inlichtingen geven.
briefnummer: CvA/2004001009
Opschorting
Artikel 11:22
Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak
op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten
bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de
betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of
verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling
opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
bestaat.
Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
militaire dienst.
briefnummer: CvA/2004001009
Samenloop
Artikel 11:23
Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80%: 80% 55% tot 65%: 60% 45% tot
55%: 50% 35% tot 45%: 40% 25% tot 35%: 30% 15% tot 25%: 20% minder
dan 15%: 0% De som van de in de eerste volzin bedoelde
WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering bedraagt voorts
niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten indien er
geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.
Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
vermindering ondergaat dan wel het recht op deze uitkering geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
briefnummer: ARZ/705435
Artikel 11:24
Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die
aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen
niet uitbetaald.
Betaling
Artikel 11:25
Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
uitkering werd genoten.
Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
uitkering over langere termijnen geschieden.
briefnummer: CvA/2001002801
Verval van uitkering
Artikel 11:26
De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
verklaard
indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan
wel onjuist of onvolledig doet;
indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin
hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde
inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het
arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen
verlengen;
indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde
lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel
indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat
hij niet ernstig tracht werk te vinden;
indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
duurzaam te verblijven;
indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid zijn
gesteld;
indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag
zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;
indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding
zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;
indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden
Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.
Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het
arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg
te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau,
welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met
zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden,
vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de
verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
zijn gegaan.
Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen
van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam
te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid
of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.
briefnummer: CvA/2004001009
Einde van het recht op uitkering
Artikel 11:27
Het recht op uitkering eindigt:
met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende
op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt;
met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
is overleden;
indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.
Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
datum van ontslag.
De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.
briefnummer: ARZ/705435
Nadere voorschriften
Artikel 11:28
Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
geven.
briefnummer: CvA/2004001009
Overgangsbepalingen
Artikel 11:29
Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.
Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van
1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk
vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
verschil tussen beide.
De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde
tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de
werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede
lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde
voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel
13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1
augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende
uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de
duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
tweede lid.
Artikel 11:30
Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
verordening.
Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
hoofdstuk.
Artikel 11:31
(vervallen)
Slotbepaling
Artikel 11:32
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
later.
Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31
december 2000.
briefnummer: CvA/2000004977
Hoofdstuk 11a SUPPLETIE
Begripsomschrijvingen
Artikel 11a:1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering,
toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;
WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;
betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van
de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend
op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag
minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van
degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in
een of meer aangehouden betrekkingen;
bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;
suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;
dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de
maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
Coordinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het
bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend
geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van
de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten
particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel
1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
Dagloonregelen WAO;
berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van
betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake
waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover
dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking
waaraan het recht op suppletie wordt ontleend;
werkloosheidsuitkering een periodieke uitkering ter zake van
ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig
dienstverband van betrokkene.
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
genomen.
briefnummer: CvA/2001002849
Recht op suppletie
Artikel 11a:2
Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem
ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
van zijn betrekking wegens ziekte
Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde
ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de
vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken
heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden
worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 11a:3
Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie
Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare
arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.
Artikel 11a:4
Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:
betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer,
betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601047
Artikel 11a:5
Het recht op suppletie eindigt,
na ommekomst van de duur van de suppletie;
met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
overleden;
met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
leeftijd van 65 jaar bereikt.
Suppletie
Artikel 11a:6
De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van
de suppletie
De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan
de voor de sector Gemeenten geldende algemene
bezoldigingswijziging.
Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:
gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en
gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.
Artikel 11a:7
In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan
het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de
in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de
periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze
vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende
welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
van de suppletie.
Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24
maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 11a:8
Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering
dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het
bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht
op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer
recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de
toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking
ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van
de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
dienstbetrekkingen
Indien de betrokkene recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een
dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan
hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate
van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het
bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in
mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de
in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
dienstbetrekkingen.
Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot
een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het
bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van
toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
overeenkomt.
briefnummer: CvA/2002004755
Artikel 11a:9
Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten
uit of in verband met arbeid of bedrijf.
Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in
het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:
met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
aangezegd;
gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
suppletie is toegekend;
vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en
b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid
of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden
genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die
meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn
van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
het ontslag.
In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
betrokkene afwijken van het tweede lid.
Artikel 11a:10
Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan
wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft;
vermindering ondergaan;
blijvend geheel geweigerd worden;
tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel
in uitkeringsduur beperkt worden.
briefnummer: CvA/2002004755
Artikel 11a:11
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene
over een tijdvak van drie maanden.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd
aan de langstlevende der echtgeno(o)t(en) of geregistreerde
partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
echtgenoot gescheiden leefde;
bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
minderjarige wettige of natuurlijke kinderen,
bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde
Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner(s) aangemerkt niet
gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam
een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat.
Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
verzorging voorzien
Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar
aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
waarop betrokkene recht had.
briefnummer: ARZ/804371
Betaling van de suppletie
Artikel 11a:12
Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
bestaat.
Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die suppletie
heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de
regel per maand achteraf
De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste
van betrokkene afwijken van de eerste volzin.
Briefnummer: U201502055
Artikel 11a:13
Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te
stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid
bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de
suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.
Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op
suppletie.
Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd
als een suppletie.
Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
Artikel 11a:14
Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die
regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan
een opleiding of scholing in dagonderwijs.
Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan
een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke
opleiding of scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te
stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding
of scholing is geëindigd.
In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in
het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.
Artikel 11a:15
De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.
De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
bestuursorgaan nodig.
Uitvoeringsvoorschriften
Artikel 11a:16
Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot:
de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;
het genieten van vakantie tijdens de duur van de
suppletie,
het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
artikel 11a:15.
Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens
ziekte
Artikel 11a:17
Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
bedoeld in artikel K4, tweede lid, juncto artikel K6 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en
waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft
recht op suppletie.
Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een
op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
van:
1
maand:
gedurende
de
eerste
27
maanden
80%,
vervolgens
33
maanden
70%;
2
maanden:
gedurende
de
eerste
26
maanden
80%,
vervolgens
33
maanden
70%;
3
maanden:
"
"
"
25
"
80%,
"
33
"
70%;
4
maanden:
"
"
"
24
"
80%,
"
33
"
70%;
5
maanden:
"
"
"
22
"
80%,
"
33
"
70%;
6
maanden:
"
"
"
21
"
80%,
"
33
"
70%;
7
maanden:
"
"
"
20
"
80%,
"
33
"
70%;
8
maanden:
"
"
"
19
"
80%,
"
33
"
70%;
9
maanden:
"
"
"
18
"
80%,
"
33
"
70%;
10
maanden:
"
"
"
17
"
80%,
"
33
"
70%;
11
maanden:
"
"
"
16
"
80%,
"
33
"
70%;
12
maanden:
"
"
"
15
"
80%,
"
33
"
70%;
13
maanden:
"
"
"
14
"
80%,
"
33
"
70%;
14
maanden:
"
"
"
13
"
80%,
"
33
"
70%;
15
maanden:
"
"
"
12
"
80%,
"
33
"
70%;
16
maanden:
"
"
"
11
"
80%,
"
33
"
70%;
17
maanden:
"
"
"
10
"
80%,
"
33
"
70%;
18
maanden:
"
"
"
9
"
80%,
"
33
"
70%;
19
maanden:
"
"
"
9
"
80%,
"
33
"
70%;
20
maanden:
"
"
"
8
"
80%,
"
33
"
70%;
21
maanden:
"
"
"
7
"
80%,
"
33
"
70%;
22
maanden:
"
"
"
6
"
80%,
"
33
"
70%;
23
maanden:
"
"
"
5
"
80%,
"
33
"
70%;
24
maanden:
"
"
"
4
"
80%,
"
33
"
70%;
25
maanden:
"
"
"
3
"
80%,
"
33
"
70%;
26
maanden:
"
"
"
2
"
80%,
"
33
"
70%;
27
maanden:
"
"
"
1
maand
80%,
"
33
"
70%;
28
maanden:
gedurende
33
maanden
70%;
29
maanden:
"
32
"
70%;
30
maanden:
"
31
"
70%;
31
maanden:
"
30
"
70%;
32
maanden:
"
29
"
70%;
33
maanden:
"
28
"
70%;
34
maanden:
"
27
"
70%;
35
maanden:
"
26
"
70%;
36
maanden:
"
25
"
70%;
37
maanden:
"
24
"
70%;
38
maanden:
"
23
"
70%;
39
maanden:
"
22
"
70%;
40
maanden:
"
21
"
70%;
41
maanden:
"
20
"
70%;
42
maanden:
"
19
"
70%;
43
maanden:
"
18
"
70%;
44
maanden:
"
17
"
70%;
45
maanden:
"
16
"
70%;
46
maanden:
"
15
"
70%;
47
maanden:
"
14
"
70%;
48
maanden:
"
13
"
70%;
49
maanden:
"
11
"
70%;
50
maanden:
"
10
"
70%;
51
maanden:
"
9
"
70%;
52
maanden:
"
8
"
70%;
53
maanden:
"
7
"
70%;
54
maanden:
"
6
"
70%;
55
maanden:
"
5
"
70%;
56
maanden:
"
4
"
70%;
57
maanden:
"
3
"
70%;
58
maanden:
"
2
"
70%;
59
maanden:
"
1
maand
70%;
De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7 tot en
met 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer
als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met
inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag
voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in
artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van
de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden
afgerond op een hele maand.
Artikel 11a:18
Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene
invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste
15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
ministeriele regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen
een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem
als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid,
van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
eerste lid, van de Coordinatiewet Sociale Verzekering.
briefnummer: ARZ/607190
Overige en slotbepalingen
Artikel 11a:19
Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen
zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding
van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
Staatsblad.
Artikel 11a:20
Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
Artikel 11a:21
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
of na 1januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van
artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op
grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op
grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is,
met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht
heeft op een WAO-uitkering.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601614
Hoofdstuk 12 OVERLEG MET ORGANISATIES VAN
OVERHEIDSPERSONEEL
Algemene bepalingen
Artikel 12:1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
georganiseerd overleg;
de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve
arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam
zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;
de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de
landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten
bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal
overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten.
Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld
uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een
vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.
Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale
van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale van
Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van
Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs,
bedrijven en instellingen (CMHF), dan wel een van de bij deze
centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
worden.
De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in
de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens
ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van
ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van
de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal
leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is
met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van
de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.
Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
toegelaten worden indien ze representatief geacht kunnen worden. Een
desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.
Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende
representatief geacht worden.
briefnummer: ARZ/803886
Samenstelling
Artikel 12:1:1
Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of
meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing
geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts
telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
zijn.
Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in
artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties,
welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien
verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale,
geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties
gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.
briefnummer: CvA/2003003656, U201502055
Artikel 12:1:2
Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
artikel 12:1:1, tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal
der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.
Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
schriftelijk aan het college doet weten dat zijn aanwijzing als
vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze
gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.
briefnummer: CvA/2003000554
Artikel 12:1:3
Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.
Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.
De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.
briefnummer: CvA/2002004761
Mededeling omtrent CAR en UWO
Artikel 12:1:4
Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de
tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de
commissie voor georganiseerd overleg.
Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat,
ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het
college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd
overleg.
briefnummer: CvA/2002004761
Artikel 12:1:5
Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel,
wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen,
stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op
de hoogte.
Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:
de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als
bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;
de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
betrokken ambtenaren worden gehoord;
de personele gevolgen van die verandering.
Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid,
vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel
12:2.
briefnummer: CvA/2002004761
Taak en bevoegdheden
Artikel 12:2
De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen
belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de
algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die
voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken
van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
overheidspersoneel.
Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie
voor georganiseerd overleg.
De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling
hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
overeenstemming leidt.
briefnummer: U201502055
Artikel 12:2:1
Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.
briefnummer: CvA/2002004761
Artikel 12:2:2
De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde
onderwerpen voorstellen te doen aan het college.
Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een
beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan
legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter
besluitvorming voor aan de raad.
De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen
van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de
organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
organisaties.
briefnummer: CvA/2002004761
Artikel 12:2:3
De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar
aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling
van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.
De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen
die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking
staan.
Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
toepassing.
Vergaderingen
Artikel 12:2:4
De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op
door hem te bepalen tijdstippen.
Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie
leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen
verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het
verzoek.
Artikel 12:2:5
De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk
de te behandelen onderwerpen.
Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste
de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de
vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee of meer
leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien
ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de
organisaties is vertegenwoordigd.
Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen
14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die
onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.
briefnummer: CvA/2003000554
Artikel 12:2:6
Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.
Artikel 12:2:7
De vergaderingen zijn niet openbaar.
De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
deelnemen.
De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan
door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie;
zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de
grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken
aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.
De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte
van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de
hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.
briefnummer: CvA/2003000554
Artikel 12:2:8
De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
tijd.
Artikel 12:2:9
Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem
uit.
De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van
de voorzitter.
De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald
door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke
organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij
haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met
dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in
aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere
organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen
wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.
Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.
briefnummer: ARZ/803886
Artikel 12:2:10
Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.
Artikel 12:2:11
Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.
briefnummer: CvA/2002004761
Advies- en arbitragecommissie
Artikel 12:3:1
De artikelen 12:3:2 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die
gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.
Artikel 12:3:2
Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en m e t 12:3:8 wordt
verstaan onder :
deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd
in artikel 12:1, derde lid;
advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten.
Artikel 12:3:3
De artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing op
geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor
zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren
betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
personeelsbeleid zal worden gevoerd.
Artikel 12:3:4
Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
overleg.
Artikel 12:3:5
Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4 ,
schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor
georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen
zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten
het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de
vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat
het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing
van det geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van
het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en
arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een
arbitrale uitspraak van die commissie.
Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van
alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12.1, derde en
vierde lid, bevoegd.
Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de
toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van
toepassing.
briefnummer: CvA/2001000918
Artikel 12:3:6
Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5 ,
wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter
van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend
door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het
advies hebben uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de
inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel
12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan
het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het
geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes
dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van
de advies- en arbitragecommissie.
Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt
het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
te bevatten:
het onderwerp en de inhoud van het geschil;
de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
onderwerp en inhoud van het geschil.
Artikel 12:3:7
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
geschil voortgezet.
Artikel 12:3:8
De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
kracht.
Artikel 12:3:9
In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
overleg met de commissie van georganiseerd overleg.
briefnummer: CvA/2002004761
Hoofdstuk 13 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
CAR
Artikel 13:1
Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2016.1
Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
ambtenarenreglement danwel van die verordeningen, die tekstueel dan
wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
regeling.
Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
gevolgen daarvan.
In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
artikelen 10:1, 10:6, 10:15, eerste en tweede lid, 10:19, 10:23,
tweede lid, 11:1, 11:6, zevende en achtste lid, 11:13, eerste en
tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27, tweede lid, terugwerkende
kracht tot en met 1 augustus 1993.
1 De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum 1 januari 1996 geldt.
Artikel 13:2
Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledig dienstverband
heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1 januari 1997 naar
rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
het aantal uren van het dienstverband per 31 december 1996 en dit verzoek
niet is afgewezen.
briefnummer: ARZ/607190, U201502055
Artikel 13:3
Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de
artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid en 11:5, eerste lid,
terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.
Hoofdstuk 14 MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 14:1
Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
zittingstermijnen.
Briefnummer: U200800255
Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
Artikel 14:1:1
Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen
daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad
in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid , van
de WOR.
briefnummer: ARZ/1999003905
Instelling
Artikelen 14:1:2- 14:1:12
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Taak en bevoegdheden
Artikelen 14:1:13 – 14:1:19
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Commissievergaderingen
Artikelen 14:1:20- 14:1:30
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Overlegvergaderingen
Artikelen 14:1:31- 14:1:34
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Faciliteiten voor de commissie en haar leden
Artikelen 14:1:35- 14:1:38
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Voorzieningen
Artikelen 14:1:39- 14:1:42
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Slotbepaling
Artikel 14:1:43
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Uitbreiding bevoegdheden "kleine" OR
Artikelen 14:2:1-14:2:2
(vervallen)
briefnummer: ARZ/801202
Hoofdstuk 15 OVERIGE RECHTEN EN
VERPLICHTINGEN
Verplichtingen
Artikel 15:1
De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en
zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993, U201502055
Artikel 15:1:a
De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993
Persoonlijk gebruik van goederen of diensten
Artikel 15:1:b
Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:
diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;
aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;
gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de vervulling
van zijn functie ter kennis is gekomen.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993, U201502055
Aannemen van geschenken en gelden
Artikel 15:1:c
Het is de ambtenaar verboden:
in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken
of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;
steekpenningen aan te nemen.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993, U201502055
Artikel 15:1:d
De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen
of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
mededelen.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993, U201502055
Nevenwerkzaamheden
Artikel 15:1:e
De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te
bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling,
kunnen raken
Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
eerste lid gedane opgaven
Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
gesteld
Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren
van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere
ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van
nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993
Melding financiële belangen
Artikel 15:1:f
Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
waaraan in het bijzonder het risico van financiële
belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie verbonden is.
De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een
door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
functievervulling, kunnen raken.
Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
tweede lid.
Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de
goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de
openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent
dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993
Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst
Artikel 15:1:g
Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
dienst.
Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen
ten behoeve van anderen.
briefnummer: MARZ/CvA/U200601993
Artikel 15:1:7
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705806
Verbod op aandeelhouderschap e.d.
Artikel 15:1:9
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705806
Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever
De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te
verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden
behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks
met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente
noodzakelijk is.
Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt
zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in
artikel 12:1 tweede lid.
briefnummer: CvA/2004003238 en U201201481
Aanvaarden andere werkzaamheden
Artikel 15:1:11
De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in
die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed
en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.
De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
veiligheidsregio’s.
In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van
het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van
de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht
van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
plaatsvindt.
De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is
te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan
oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide
taak.
De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
zulks redelijkerwijs toelaten.
briefnummer: U200801113 en U201100883
Vergoeding van schade
Artikel 15:1:12
De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan
zijn schuld of nalatigheid is te wijten.
Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan
op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet
vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich
schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze
van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.
briefnummer: U201502055
Plichten rekenplichtige ambtenaar
Artikel 15:1:13
De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate
hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.
Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien
in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat
personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.
De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
aanwijzing door of namens het college.
briefnummer: CvA/2004001009, U201502055
Klachten van derden
Artikel 15:1:14
(vervallen)
briefnummer: ARZ/1999005100
Beoordeling van de ambtenaar
Artikel 15:1:15
Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college
te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en
omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar
zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de
wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding
geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan
de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn functie
vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.
briefnummer: CvA/2004001009
Dragen van uniform of dienstkleding
Artikel 15:1:16
De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de
door het college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden
voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te
dragen.
Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of
namens het college toestemming is gegeven.
Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes
of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken
te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn
verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het
college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing
ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door
het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.
Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende
de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid
bedoelde kleding.
briefnummer: CvA/2004001009, U201502055
Standplaats
Artikel 15:1:17
Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
wonen.
Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
zijn werkzaamheden verricht.
Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde
nadere regels stellen.
briefnummer: CvA/2004001009
Dienstwoning
Artikel 15:1:18
De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van
de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die
daaromtrent zijn gesteld.
Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.
briefnummer: CvA/2004001009
Verbod betreden arbeidsterrein
Artikel 15:1:19
Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
ontzegd.
briefnummer: CvA/2004001009
Infectieziekten
Artikel 15:1:20
De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens
de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht
geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de
dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de
hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de
volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor
overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht
moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.
De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan
het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.
De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende
salaristoelage(n).
briefnummer: CvA/2004001009, U201502055
Artikel 15:1:21
(vervallen)
briefnummer: ARZ/705549
Reis- en verblijfskosten
Artikel 15:1:22
(verplaatst naar hoofdstuk 3)
briefnummer: CvA/2004001009, U201502055
Vergoeden van schade
Artikel 15:1:23
Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke
hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de
vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet bestaat uit
de normale slijtage dier goederen.
Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van
zijn functie, tenzij:
die schade bestaat uit de normale slijtage of
er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
grenzende verwijtbaarheid of
de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar
rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een
vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
belastingvrije bedrag per kilometer.
briefnummer: CvA/2002004761, U201502055
Gebruik motorrijtuig
Artikel 15:1:24
Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe
door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming
kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
briefnummer: CvA/2004001009, U201502055
Artikel 15:1:25
Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.
briefnummer: CvA/2002004761
Volgen van een opleiding
Artikel 15:1:26
De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
van de gemeente.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 15:1:27
Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van doorbetaling
verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
jeugd.
briefnummer: CvA/2002003417, U201502055
Bijzondere prestaties
Artikel 15:1:28
(verplaatst naar hoofdstuk 3)
briefnummer: U201502055
Artikel 15:1:29
Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
onthouden of nadelen toegebracht.
Borstvoeding
Artikel 15:1:30
Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.
Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg
Artikel 15:1:31
De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie
bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor
hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit
hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie
in de gemeentelijke organisatie.
briefnummer: ARZ/707045
Klokkenluiders
Artikel 15:2
Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
van misstanden.
Ambtenaren en door het college aangewezen interne
vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
worden.
briefnummer: CvA/2002004761
Kinderopvang1
Artikel 15:3
(vervallen)
briefnummer: MARZ/CvA/U200601865
Hoofdstuk 16 DISCIPLINAIRE STRAFFEN
Plichtsverzuim
Artikel 16:1:1
De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling
aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen
van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van
de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Disciplinaire straffen
Artikel 16:1:2
Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
disciplinaire straffen worden toegepast:
schriftelijke berisping;
arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren
met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande
dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de
voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;
vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal
uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
kalenderjaar aanspraak heeft;
geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris
per jaar;
niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
maand;
stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten
hoogste vier jaren;
vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de
laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door
de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden,
vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en
ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander
onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en
met of zonder vermindering van salaris en de toegekende
salaristoelage(n);
schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk
genot van salaris en de toegekende salaristoelage(n);
De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd
door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf
genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat
bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar
vervulde functie.
Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet
schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de
bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim
en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen
bijzondere voorwaarden.
briefnummer: CvA/2004001009, U201502055
Verantwoording
Artikel 16:1:3
De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De
verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan
12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze
termijn worden afgeweken.
Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36
uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door
hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de
ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan
in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen,
melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de
ambtenaar uitgereikt.
Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in
de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten
of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten
betrekking hebben.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 16:1:4
De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
schriftelijk besluit tot strafoplegging.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 16:1:5
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
Hoofdstuk 17 Opleiding en ontwikkeling
Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit
De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn
duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens
positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar
zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.
De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
loopbaanbeleid.
Briefnummer: U201201556
Studieadvies en psychologisch onderzoek
Artikel 17:1:2
Vervallen
briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Termijn studiefaciliteiten
Artikel 17:1:3
Vervallen
briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Artikel 17:1:4
Vervallen
Briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Bekend maken resultaten
Artikel 17:1:5
Vervallen
briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Vergoeding van studiekosten
Artikel 17:1:6
vervallen
briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Terugbetalen van studiekostenvergoeding
Artikel 17:1:7
vervallen
briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Verlof
Artikelen 17:1:8 – 17:1:12
Vervallen
briefnummer: CvA/2001004170 en U201201556
Loopbaanadvies
Artikel 17:2
Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren
en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.
Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
organisatieverandering.
Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
gemeentelijk loopbaanbeleid
Briefnummer: U200800192 en U201201556
Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget
De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
500.-.
Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan
loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit
opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde
in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.
De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de
vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten
behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.
De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op
een reëel loopbaanperspectief.
Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
ontwikkelingsplan.
Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.
In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee
eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt
vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
ontwikkelingsplan.
Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop
van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is
benut komt het resterende budget te vervallen.
Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.
Briefnummer: U201001463 en U201201556
Artikel 17:4 Persoonlijk Ontwikkelingsplan
Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het
college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de
afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te
volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.
Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie
jaar opgesteld en door het college vastgesteld.
Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
college vastgestelde opleidingsplan.
De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door
het college vergoed.
In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van
de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen
de gemaakte afspraken uit te voeren.
In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:
de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
redelijkerwijs te maken kosten;
de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
worden;
de minimaal te behalen resultaten en te maken
voortgang;
de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
worden onderbroken of gestopt;
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door
de ambtenaar;
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
binnen een te bepalen periode na afronding van de
studie;
eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
goede uitvoering van de gemaakte afspraken.
briefnummer: CvA/2004001009, U201201556, U201502055
Artikel 17:5 Loopbaanadvies
De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
een door het college aangewezen interne of externe deskundige.
Briefnummer: U201201556
Artikel 17:6
In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met
een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en
belastbaarheid aan de orde. Zonodig worden naar aanleiding hiervan afspraken
gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.
Briefnummer: U201201556
Artikel 17:7 Flankerend beleid
Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
Van-werk-naar-werk-traject bevinden.
Briefnummer: U201201556
Hoofdstuk 18 VERPLAATSINGSKOSTEN
Begripsomschrijvingen
Artikel 18:1:1
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van
de CAR;
woongebied: een door het college aan te wijzen gebied
aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;
standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel
daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden
verricht;
gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de
betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de
betrokkene en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner,
voor zover zij samenwonen;
eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen
rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen
meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van
het bestuursorgaan;
berekeningsbasis: het twaalfvoud van het salaris per maand
inclusief eventuele salaristoelage(n), dan wel hetgeen
daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van
toepassing is - die betrokkene geniet op het
berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
vakantieuitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd
met:
genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk
10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering
krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;
genoten herplaatsingstoelage hoofdstuk 12 van het
pensioenreglement;
berekeningstijdstip: 1e datum waarop de betrokkene verhuist;
2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de
functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de
functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de
betrokkene, de datum waarop de laatste salarisbetaling heeft
plaatsgevonden;
verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk
verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht
van het bestuursorgaan;
verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten
van een verplaatsing, danwel van een verhuizing
voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat
de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;
dienstwoning: de door het bestuursorgaan aan de betrokkene
in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen
woning;
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
genomen.
briefnummer: U200601047, U201502055, U201600266
Tegemoetkoming verhuiskosten
Artikel 18:1:2
De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in
verhuiskosten verleend.
De betrokkene die in verband met een indiensttreding is verhuisd en
aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt
verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of
omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen,
dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te
betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst
van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen
wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.
De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in
verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
bekend is.
Artikel 18:1:3
De betrokkene, die in opdracht van het bestuursorgaan, anders dan in
verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning
betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
verleend.
Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag
op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering
voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan
betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet
ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een
gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.
Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.
Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in
de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend,
met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die
waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het
woongebied.
Artikel 18:1:4
Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee
jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van
het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.
Artikel 18:1:5
De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van
de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de
nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en
uitpakken van breekbare zaken;
een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de
noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 310,51
per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten
hoogste voor vier maanden wordt verleend;
een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
voortvloeiende kosten, met een maximum van € 6.209,70.
Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is
bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum
van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met
dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid,
onderdeel c, niet overschreden wordt.
Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin
van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of
zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis
vastgesteld. In geval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking
hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere
werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in
verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er
sprake van een voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend
op grond van de hoogste berekeningsbasis.
Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor
deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van
de berekeningsbasis.
briefnummer: 2004003765, U201001464, U201100044, U201300011, U201402159,
U201502055, U201600078
Tegemoetkoming woon- werkverkeer
Artikel 18:1:6
De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals
bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe,
niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het
dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling,
zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een
tegemoetkoming in de verhuiskosten.
Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel
van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen,
heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in
huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de
pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied
als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten
hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij
metterwoon nog gevestigd is.
Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
het oordeel van het bestuursorgaan niet alles, wat redelijkerwijs
van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te
verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen
als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt
of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg
daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de
reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel
een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de
betrokkene naar het oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks
heen en weer kan reizen.
briefnummer: CvA/2004001725
Hoogte tegemoetkoming
Artikel 18:1:7
De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar
vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.
De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor
dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het
bedrag van € 3.984 per jaar.
De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension
met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst
mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen
gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer naar dat
station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 103,78 op
jaarbasis.
De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van
een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling
die niet door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de
betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van
tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar
vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een maximum van 20
kilometer enkele reis.
De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan
geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25%
van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.
briefnummer: 2004001725, 2004003765, U201001464, U201100044, U201402159,
U201600078
Artikel 18:1:7a
(Vervalt)
briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765 en U201001464
Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
woon-werkverkeer
Artikel 18:1:8
Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als
een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te
bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per
openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur
van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De
hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.
briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765
Pensionkosten
Artikel 18:1:9
De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6,
tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met
gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de
betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de
door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.
De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het
bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk
aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar
het tarief van de laagste klasse.
briefnummer: CvA/1999005385
Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten
Artikel 18:1:10
De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en
18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden
verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van
betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.
Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte
kosten conform artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14, in
geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór
1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het
bevoegde gezag is ingediend.
Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
vastgesteld op basis van artikel 18:1:7 eerste lid en artikel
18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
inachtneming van een korting op de bedragen van 6%. briefnummer:
CvA/2004003765
Procedure tegemoetkoming verhuiskosten
Artikel 18:1:11
De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de
datum van de verhuizing bij het bestuursorgaan te zijn
ingediend.
Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes
maanden daarna doe t de betrokkene bi j het bestuursorgaan opgave
van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder
b.
Voorschot
Artikel 18:1:12
Het bestuursorgaan kan ter zake van dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen
een voorschot verlenen.
Slotbepaling
Artikel 18:1:13
Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze
regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid
voorzien.
briefnummer: CvA/2004001009
Overgangsrecht
Artikel 18:1:14
De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004,
is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke
ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1
juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli
2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op
een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien
de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de
tegemoetkoming woon-werkverkeer.
briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765
Hoofdstuk 19 RECHTSPOSITIEREGELING VRIJWILLIGERS BIJ
DE GEMEENTELIJKE BRANDWEER
§ 1 Algemene bepalingen
Werkingssfeer
Artikel 19:1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.
briefnummer: CvA/2004001009, U200901449
Begripsbepaling
Artikel 19:2
Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst is.
Briefnummer: U200901449.
Overleg met vakorganisaties
Artikel 19:3
Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel
12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd
overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het
personeelsbeleid gevoerd zal worden.
Briefnummer: U200901449
Informatievoorziening aan de vrijwilliger
Artikel 19:4
De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van
dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
werkzaamheden heeft na te leven.
De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk
zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.
briefnummer: CvA/2004001009 & U200901449
Informatievoorziening aan derden
Artikel 19:5
Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden
kosteloos ter beschikking gesteld aan: - de vakorganisaties die deelnemen
aan het georganiseerd overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid; - ieder
ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.
Briefnummer: U200901449
§ 2 Aanstelling en bevordering
Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst
Artikel 19:6
Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in
tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.
Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze
van proef.
Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
hoogste een jaar.
Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de
maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is,
tenzij de proef niet geslaagd is.
Briefnummer: U200901449
Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 19:7
Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel
veiligheidsregio’s daarvoor stelt.
Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger
voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:
hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
karaktereigenschappen;
hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren
te vervullen;
hij is ten minste 18 jaar.
Briefnummer: U200901449, U201001923
Artikel 19:7a
(Vervallen)
Briefnummer: U201001923 en U201002606
Bericht van aanstelling
Artikel 19:8
De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht
van aanstelling. Hierin wordt vermeld:
de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
vrijwilliger:
de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling
wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo
nauwkeurig mogelijk omschreven;
de ingangsdatum van de aanstelling;
de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
vergoeding die aan hem wordt toegekend.
Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.
Briefnummer: U200901449, U201001923
Bevordering
Artikel 19:9
Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen
wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten
minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.
briefnummer: CvA/2004001009, U200901449 en U201001923
Medische keuring
Artikel 19:10
Vervallen
briefnummer: CvA/2004001009, U200901449, U201001923 en U201002606.
§ 3 Relatie hoofdwerkgever
Informatie over hoofdwerkgever
Artikel 19:11
De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger
informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.
De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
spoedig mogelijk over wijzigingen.
briefnummer: U200901449
Informatie aan hoofdwerkgever
Artikel 19:12
De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
indiensttreding dat
hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer;
hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
brandweerwerkzaamheden;
de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de
brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier
rekening mee gehouden moet worden;
de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten
tijdens werktijd;
ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
Briefnummer: U200901449
§ 4 Vergoedingen
Vergoeding
Artikel 19:13
Vergoeding
De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
CAR-UWO.
In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam
is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de
regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO
Briefnummer: U200901449, U201001923
Jaarvergoeding
Artikel 19:14
De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding.
De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage,
genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie,
behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de
tweede kolom.
In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter
vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
beroepsuitoefening.
In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
beroepsuitoefeningverrichte activiteit niet zijnde
brandbestrijding of andere hulpverlening.
Briefnummer: U200901449 en U201001923 en U201300207
Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
werkzaamheden
Artikel 19:15
De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding.
De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie
waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de
vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die
activiteit geen recht op vergoeding.
In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
vrijwilligers niet zijnde officieren.
Briefnummer: U200901449 en U201001923 en U201300207
Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
hulpverlening
Artikel 19:16
De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt
met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt
hiervoor een vergoeding.
De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de
functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in
de vierde kolom.
In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
vrijwilligers niet zijnde officieren.
Briefnummer: U200901449 en U201001923 en U201300207
Vergoeding voor langdurige aanwezigheid
Artikel 19:17
De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer
ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het
uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld
achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.
Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen
recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.
De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt
over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft,
een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht
heeft.
Briefnummer: U200901449 en U201001923
Consignatievergoeding
Artikel 19:18
De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden
voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding
bedraagt:
per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als
feestdag;
per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.
Briefnummer: U200901449 en U201001923
Kazerneringsdienst
Artikel 19:19
Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van
kazerneringsdiensten.
Briefnummer: U200901449
Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap
Artikel 19:20
De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode
dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of
niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de
vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.
De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag
dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de
eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon
in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het
college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel
sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon.
Briefnummer: U200901449 en U201001923
Opleidingskosten
Artikel 19:21
Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover
deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.
Briefnummer: U200901449
Gratificatie
Artikel 19:22
Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen
van een gratificatie.
Briefnummer: U200901449
Fiscaal aantrekkelijke regelingen
Artikel 19:23
De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
gunstige personeelsvoorzieningen.
Briefnummer: U200901449
Salarismutaties
Artikel 19:24
De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA
worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum
van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel
19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat
betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige
vergoedingen op eurocenten.
Briefnummer: U200901449
§ 5 Verzekeringen en schadevergoeding
Ongevallenverzekering
Artikel 19:25
Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
vrijwilliger.
De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval,
overeenkomstig de polisvoorwaarden.
De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
inhoud van de verzekering.
Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
vrijwilliger gebracht.
De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van
de polisvoorwaarden.
Briefnummer: U200901449
Vergoeding geneeskundige kosten
Artikel 19:26
Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval
en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten
hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
verzekerd.
Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste
lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan
het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in
de hogere kosten.
briefnummer: CvA/2002004761, en U201001923
Verzekering zelfstandig ondernemers
Artikel 19:27
Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is
een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering
bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
dienstongeval.
Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien
dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking
van de verzekering.
Briefnummer: U200901449
Schade aan kleding en uitrusting
Artikel 19:28
Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting
en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of
nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor
zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.
Briefnummer:U200901449
§ 6 Zwangerschap
Zwangerschap
Artikel 19:29
De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
stadium bij het college.
Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
repressieve brandweeractiviteiten.
Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde
situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de
bedrijfsarts.
Briefnummer: U200901449
§ 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger
Beschikbaarheid van de vrijwilliger
Artikel 19:30
Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger
voor de brandweerdienst.
De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd.
De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of
niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet
daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig
de instructie van het college.
Briefnummer: U200901449 en U201001923
Verplichtingen
Artikel 19:31
De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten
en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.
Briefnummer: U200901449
Eed of belofte
Artikel 19:32
De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.
briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449
Verboden
Artikel 19:33
Het is de vrijwilliger verboden:
de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of
namens het college;
vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming
is verleend door of namens het college;
steekpenningen aan te nemen.
briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449
Gebruik van motorrijtuig
Artikel 19:34
Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve
van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college
toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden
worden verbonden.
briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449
Kledingvoorschriften
Artikel 19:35
De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door of
namens het college voorgeschreven dienstkleding en
uitrustingsstukken te dragen.
De dienstkleding en uitrustingsstukken worden van gemeentewege
kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.
De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is
verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.
Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding
en uitrustingsstukken.
briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449
Verboden ten aanzien van de kleding
Artikel 19:36
Het is de vrijwilliger verboden:
de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen
werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen
waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend;
de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te
geven;
dienstkleding te dragen voorzien van: i. andere
rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang, behorende
bij de functie die de vrijwilliger bekleedt; ii. insignes en andere
onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan door de staat
of door het college toestemming is verleend.
briefnummer: CvA/2004001009, U200901449 en U201001923
Vergoeding van schade
Artikel 19:37
De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
gedeeltelijk te vergoeden.
De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
schadevergoeding op zijn vergoeding.
Briefnummer: U200901449
§ 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de
dienst
Plichtsverzuim
Artikel 19:38
De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
disciplinair worden gestraft.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als
het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in
gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Briefnummer: U200901449 en U201001923
Disciplinaire straffen
Artikel 19:39
De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd:
schriftelijke berisping;
inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
19:14;
schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de
vergoeding;
ongevraagd ontslag.
briefnummer: CvA/2004001009, U200901449, U201502055
Schorsing in het belang van de dienst
Artikel 19:40
De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:
wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het
voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;
wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek
van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of
voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;
wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
wegens misdrijf;
in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk
maakt.
briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449
§ 9 Ontslag
Ontslag op eigen verzoek
Artikel 19:41
Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
verzoekt.
Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste
een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst
van het verzoek.
Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.
briefnummer: U200901449
Ongevraagd ontslag
Artikel 19:42
Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
van:
het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of
wegens verandering van de brandweerorganisatie;
de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning
geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de
brandweer te vervullen;
onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;
onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;
ondercuratelestelling;
toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
wegens misdrijf;
een in het ontslagbesluit genoemde andere grond.
Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van
het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van
dit artikel.
briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449 en U201300250 en U201502055
Einde tijdelijk dienstverband
Artikel 19:43
De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag
van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband
nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke
aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de
eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste
dienst.
De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
worden op een van de gronden genoemd in artikel 19: 42.
Briefnummer: U200901449
Artikel 19:44
Vervallen
Briefnummer: U201200956
Hoofdstuk 19a KEURINGEN BRANDWEERPERSONEEL
Artikel 19a:1 Algemeen
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer
is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van
bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit
personeel veiligheidsregio’s.
Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij
de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is.
Ledenbrief: U201002606 en U201300250
Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring
Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden
functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch
oogpunt geen bezwaren bestaan.
Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen
in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.
Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die
daartoe door het college zijn aangewezen.
De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
gemeente.
Ledenbrief: U201002606
Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek
Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).
Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb
van de CAR.
Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig
of minimaal een half jaar na indienstreding.
Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
leeftijd van: a. jonger dan veertig één keer in de vier jaar; b.
tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; b. ouder dan
vijftig jaar eens per jaar.
Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de
frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden
afgenomen.
Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van
een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde
tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid
zich voordoet, worden verlengd.
Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op
toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de
medewerker recht hierop geven. Bij geheel of
gedeeltelijkevrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is
hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.
Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden
opleggen.
Ledenbrief: U201002606 en U201300250
Artikel 19a:4 Fysieke test
Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in
een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.
Ledenbrief: U201002606
Hoofdstuk 19b AANVULLENDE RECHTSPOSITIEREGELING VOOR
DE AMBTENAAR IN EEN INSTELLING VOOR
KUNSTEDUCATIE
§ 1: Algemene bepalingen
Werkingssfeer
Artikel 19b:1
Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie
in de functie van:
a. docent, bedoeld in bijlage IVa1;
b. consulent, bedoeld in bijlage IVa1;
c. balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.
Briefnummer: U200801115
Begripsbepaling
Artikel 19b:2
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een
onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt.
Briefnummer: U200801115
Functie-eisen
Artikel 19b:3
Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de
functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van
een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied.
In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de
OR, afwijken van het eerste lid.
Briefnummer: U200801115
Functioneringsgesprek
Artikel 19b:4
Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar eenfunctioneringsgesprek
gehouden.
Briefnummer: U200801115
Verdeling van werkzaamheden
Artikel 19b:5
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief
contact is met leerlingen;
niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren
zijn als lesgebonden uren;
sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
niet-lesgebonden uren.
Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
zijn in te delen in de volgende vier categorieën:
het voorbereiden van lesgebonden uren;
het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van
dezelfde instelling;
activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere
activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op
peil te houden;
algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.
Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een
regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus
niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een
afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden
opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming
vereist tussen de werkgever en de OR.
Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde
lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding
lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is.
Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in
het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal
65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal
35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren.
Briefnummer: U200801115
§ 2: Salariëring
Vaststelling salaris
Artikel 19b:6
In plaats van bijlage II en IIa, past het college de salaristabel,
genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van
de ambtenaar.
Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid,
is niet van toepassing. De functie van
balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;
docent is gewaardeerd op schaal 8;
consulent is gewaardeerd op schaal 9.
Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering
en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt
hiervoor de functiebeschrijving vast.
Briefnummer: U200801115, U201502055
Aanloopbedragen
Artikel 19b:7
Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds
voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of
vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de
aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De
aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in
bijlage IV.
Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen
en voor de bevordering naar een bij de functie behorende
salarisschaal.
Briefnummer: U200801115
Uitloopbedragen
Artikel 19b:8
In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen
opgenomen.
Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te
zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal
een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens
vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats.
Briefnummer: U200801115
Recht op toelage onregelmatige dienst
Artikel 19b:9
Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op
een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op
zondag.
De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van
verlof en bedraagt 25% van de uren.
Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de
ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.
Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de
toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.
Briefnummer: U200801115, U201502055
§ 3: Arbeidsduur en vakantie
Vakantie-uren
Artikel 19b:10
In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de
ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien
met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
aangemerkt als verplicht vrije periode of
de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen
hebben gekregen van lessen/cursussen. Bij een
deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.
De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes
en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum
van 36 uur per week.
Briefnummer: U200801115
Verplicht vrije periodes
Artikel 19b:11
Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
verplicht vrij is.
De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar
voor werkzaamheden.
Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.
Briefnummer: U200801115
Vaststellen van het rooster
Artikel 19b:12
In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7
van de Arbeidstijdenwet van toepassing.
In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel
mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een
cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren.
Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het
college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een
aangepast rooster.
Briefnummer: U200801115; U201300476
Overgangsrecht
Artikel 19b:13
Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31 december
2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de
arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar
verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar
een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met
een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato.
Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor
deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren,
die in dienst zijn van de instelling.
Briefnummer: U200801115, U201502055
Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn
Artikel 19b:14
Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien
en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van
het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.
Briefnummer: U200801115
Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht vrije
periode
Artikel 19b:15
Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in
artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof
heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie
van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar.
Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per
jaar.
Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van
de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in
artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.
Briefnummer: U200801115
§ 4: Ontslag en uitkeringen
Overtolligheid
Artikel 19b:16
Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het
totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met
de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.
Briefnummer: U200801115
Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde
Artikel 19b:17
Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld
in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende
ontslagvolgorde gehanteerd:
(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in
aanmerking wensen te komen;
aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;
(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van
het afspiegelingsbeginsel in combinatie met
anciënniteitsbeginsel.
Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste
lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met
dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen:
• van 15 tot 30 jaar;
• van 30 tot 45 jaar; en
• van 45 jaar en ouder.
Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.
Briefnummer: U200801115
Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele
arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
formele arbeidsduur
Artikel 19b:18
Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5
uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
ontslagen.
Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in
artikel 8:3, derde lid.
Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.
Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op
grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een
zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met
zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
werkzaamheden weigert te aanvaarden.
Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie
maanden in acht genomen.
Briefnummer: U200801115
Garantie-uitkering KV
Artikel 19b:19
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder - de
ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een
formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen. - minimumuurloon: het
naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag.
De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:
gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond
van artikel 8:3;
in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in
tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3
van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;
aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag
is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen
per jaar loon heeft ontvangen;
ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
heeft.
De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte
van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband
van:
een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
maanden;
twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
maanden;
drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
maanden;
ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
maanden.
De garantie-uitkering KV bedraagt:
gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de
dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het
aantal verloren arbeidsuren, en
vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met
het aantal verloren arbeidsuren.
In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de
ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder
c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op
een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering
bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal
verloren arbeidsuren.
De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is
verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich
beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden.
Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de
uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen
van deze verplichtingen kan het college besluiten de
garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.
Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend,
na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de
garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe
werkzaamheden omvat.
Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het
zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de
werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden
te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor
zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het
ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan.
Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:
als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat
tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid,
een andere uitkering kan krijgen;
met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP
Keuzepensioen;
op de dag na het overlijden van de ambtenaar;
met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op
een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
Briefnummer: U200801115
Hoofdstuk 20 Vergoeding piketdienst
beroepsbrandweer
Artikel 20:1:1
De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst,
heeft aanspraak op een vergoeding.
Artikel 20:1:2
Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
spoedig mogelijk - in de regel binnen zes kalenderweken - na het tijdvak
waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt
16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor
zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag,
tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking
moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.
briefnummer: CvA/2004001009
Artikel 20:1:3
Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven
door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen
Hoofdstuk 21 Rechtspositionele erkenning van alternatieve
samenlevingsvormen
Begripsomschrijvingen
Artikel 21:1:1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk
duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen
blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college
nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts eén persoon als
levenspartner worden aangemerkt.
briefnummer: CvA/2004001009
Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot
Artikel 21:1:2
De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
bepalingen staat 'echtgenoot' moet tevens worden gelezen
'levenspartner'.
briefnummer: CvA/1999005385
Artikel 21:1:3
(vervallen)
briefnummer: CvA/2001002849
Artikel 21:1:4
In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
treft het college een passende voorziening.
briefnummer: CvA/2004001009
Hoofdstuk 22 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22:1:1
Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 2016.
Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan
wel gedeelten daarvan in werking treden, dat de bepalingen vervallen
van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn
aan de bepalingen van deze regeling.
Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit
verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt
overleg plaats over de gevolgen daarvan.
Briefnummer: U201502055
Hoofdstuk 10
Artikel 10:14
Artikel 10:14
Onderdeel van CAR-UWO Alphen aan den Rijn 2016 (hfdst. 10-22)
Verwijzingen
- artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 17
- Artikel 10
- artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10
- Artikel 10
- artikel 8
- artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10
- Artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10
- artikel 8
- Artikel 10
- Artikel 10
- artikel 130h
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10
- artikel 10
- artikel 10a
- artikel 10
- Artikel 10a
- artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10a
- artikel 8
- artikel 8
- Artikel 10
- artikel 130h
- Artikel 10
- artikel 8
- artikel 1
- artikel 130h
- artikel 10a
- Artikel 10
- Artikel 10
- Artikel 10a
- artikel 71
- Artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 8
- artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 130h
- artikel 8
- artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 130h
- artikel 10a
- artikel 8
- artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 130h
- Artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 36
- Artikel 10a
- artikel 35
- artikel 10a
- artikel 8
- Artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10d
- artikel 10a
- artikel 130h
- artikel 19
- Artikel 10a
- artikel 35
- Artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 8
- Artikel 10a
- artikel 8
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 8
- Artikel 10a
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10d
- Artikel 10a
- artikel 130h
- Artikel 10a
- artikel 8
- artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 8
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 36
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10d
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10d
- artikel 10a
- Artikel 10a
- Artikel 10a
- artikel 10a
- artikel 20
- artikel 8
- Artikel 10a
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 7
- Artikel 10d
- Artikel 11
- Artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 11
- Artikel 10d
- Artikel 10d
- artikel 7
- Artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 11
- art 8
- Artikel 11
- artikel 29
- Artikel 10d
- artikel 8
- Artikel 10d
- artikel 8
- Artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 11
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 10d
- Artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 7
- Artikel 10d
- artikel 10d
- artikel 8
- artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 11
- artikel 11
- artikel 8
- Artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 11
- artikel 10d
- artikel 10d
- artikel 8
- artikel 8
- Artikel 10d
- artikel 11
- artikel 3
- artikel 11
- Artikel 10d
- Artikel 10d
- artikel 8
- Artikel 10d
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 11
- artikel 11
- artikel 6
- Artikel 10d
- artikel 8
- Artikel 11
- artikel 11
- artikel 8
- Artikel 10d
- artikel 11
- artikel 10d
- artikel 17a
- artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 10d
- artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 8
- Artikel 10d
- artikel 8
- Artikel 10d
- artikel 3
- Artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 7
- Artikel 11
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 8
- Artikel 10d
- Artikel 10d
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 7
- artikel 11
- artikel 11
- artikel 8
- artikel 11
- Artikel 11
- artikel 11
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 10d
- Artikel 10d
- Artikel 11
- artikel 11
- artikel 17b
- artikel 11
- artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 11
- artikel 11
- Artikel 11
- artikel 5
- artikel 11
- artikel 11
- Artikel 11
- artikel 8
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 11
- artikel 10d
- artikel 11
- artikel 8
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 6
- Artikel 10d
- artikel 17
- Artikel 10d
- artikel 3
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 8
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 10d
- artikel 11
- Artikel 11
- Artikel 15
- Artikel 13
- Artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 11a
- Artikel 12
- artikel 8
- Artikel 11a
- Artikel 11
- Artikel 15
- artikel 12
- Artikel 15
- artikel 11
- artikel 12
- artikel 12
- artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 12
- artikel 39
- artikel 6
- Artikel 11
- artikel 12
- artikel 12
- Artikel 11a
- Artikel 15
- artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 13
- Artikel 12
- artikel 12
- artikel 11a
- Artikel 11
- artikel 11a
- Artikel 14
- Artikel 11a
- Artikel 12
- artikel 12
- Artikel 11a
- artikel 12
- artikel 12
- artikel 19
- artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 11a
- Artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 15
- Artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 15
- artikel 8
- Artikel 15
- artikel 1
- Artikel 11a
- Artikel 11a
- Artikel 12
- artikel 1
- Artikel 11a
- Artikel 15
- Artikel 11a
- artikel 9
- Artikel 12
- artikel 12
- artikel 12
- artikel 12
- Artikel 14
- Artikel 11a
- Artikel 11a
- Artikel 11a
- Artikel 13
- artikel 13
- artikel 1
- Artikel 12
- Artikel 11a
- artikel 12
- artikel 11a
- Artikel 12
- Artikel 15
- artikel 11a
- artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 15
- Artikel 15
- Artikel 11a
- artikel 12
- artikel 11a
- Artikel 11a
- artikel 11a
- Artikel 15
- Artikel 11a
- Artikel 11a
- Artikel 13
- Artikel 11
- artikel 8
- artikel 8
- Artikel 15
- Artikel 12
- Artikel 12
- artikel 42
- artikel 11a
- artikel 8
- artikel 11a
- Artikel 15
- artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 12
- artikel 5a
- Artikel 15
- artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 11
- artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 15
- Artikel 11a
- artikel 12
- Artikel 15
- Artikel 15
- Artikel 11a
- Artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 11a
- Artikel 15
- Artikel 12
- Artikel 11a
- artikel 12
- artikel 12
- artikel 11
- Artikel 15
- artikel 8
- Artikel 15
- artikel 11a
- Artikel 12
- artikel 12
- Artikel 12
- artikel 12
- Artikel 15
- artikel 8
- Artikel 15
- artikel 18
- artikel 9
- Artikel 14
- Artikel 12
- Artikel 15
- artikel 11a
- artikel 9
- Artikel 19b
- artikel 8
- Artikel 19a
- Artikel 19
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 15
- Artikel 18
- Artikel 17
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- artikel 18
- Artikel 18
- artikel 18
- artikel 1
- Artikel 19
- artikel 18
- artikel 15
- Artikel 19
- artikel 18
- artikel 19
- artikel 19
- Artikel 15
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19b
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 18
- Artikel 17
- Artikel 19
- Artikel 19a
- Artikel 19a
- Artikel 17
- artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 17
- Artikel 19b
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 18
- Artikel 16
- Artikel 16
- artikel 15
- artikel 19
- Artikel 16
- Artikel 19
- Artikel 16
- artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19a
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 16
- Artikel 19
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 19b
- Artikel 18
- Artikel 17
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 17
- Artikel 17
- artikel 19a
- artikel 18
- Artikel 17
- Artikel 19
- artikel 19a
- artikel 18
- artikel 18
- Artikel 17
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 18
- Artikel 18
- artikel 12
- Artikel 18
- artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19a
- artikel 15
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 18
- Artikel 17
- Artikel 19
- artikel 8
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 18
- Artikel 19
- artikel 18
- Artikel 17
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 8
- artikel 8
- Artikel 19b
- artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- artikel 3
- Artikel 19b
- Artikel 21
- artikel 8
- artikel 6
- Artikel 21
- artikel 19b
- artikel 8
- artikel 5
- Artikel 3
- artikel 8
- artikel 6
- Artikel 19b
- artikel 8
- Artikel 19b
- artikel 8
- Artikel 20
- artikel 6
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- artikel 6
- artikel 19b
- Artikel 21
- artikel 8
- Artikel 22
- Artikel 19b
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 19b
- artikel 4
- artikel 6
- Artikel 19b
- Artikel 20
- Artikel 19b
- artikel 4
- artikel 19b