Naar hoofdinhoud
1.. Het college legt een bestuurlijke boete op: ter hoogte van € 125, indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, Wet Inburgering; ter hoogte van € 250, indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet Inburgering of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8 van deze verordening; ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de Wet Inburgering bedoelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald; Ter hoogte van € 1000, indien de inburgeringsplichtige niet binnen het door het college op grond van artikel 32 van de Wet inburgering vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 2.. Ingeval van recidive legt het college de volgende boete op: Ter hoogte van € 250, indien de inburgeringsplichtige zich binnen 24 maanden opnieuw schuldig maakt aan de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding, als bedoeld in artikel tien, eerste onderdeel a; Ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige zich binnen 24 maanden opnieuw schuldig maakt aan de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding, als bedoeld in artikel tien, eerste onderdeel b; 3.. In afwijking van artikel 10, eerste lid, onderdeel d legt het college een bestuurlijke boete op ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 van de Wet Inburgering verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald maar hem dit niet te verwijten valt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel