Naar hoofdinhoud
1.. De belanghebbende aan wie een participatievoorziening wordt aangeboden als bedoeld in hoofdstuk 5 van deze verordening, heeft indien de belanghebbende de voorziening(en) aanvaardt recht op volledige bekostiging van de aangeboden participatievoorziening(en), met uitzondering van de eigen bijdrage voor inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de Wet Inburgering. 2.. Het college kan besluiten ter bevordering van de arbeidsinschakeling van de belanghebbende als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze verordening en op wie artikel 10a van de Participatiewet van toepassing is, een premie te verstrekken aan de belanghebbende die naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan de arbeidsinschakeling, ter hoogte van € 100 per zes maanden. 3.. Het recht op de premie als bedoeld in het derde lid, ontstaat voor het eerst op de 1e dag van de zevende kalendermaand nadat belanghebbende is gestart met werken op de participatieplaats en vervolgens na afloop van elke 6 maanden, voor zolang de participatieplaats voortduurt. 4.. Gelet op artikel 2, tweede lid en artikel 3, kan het college aan degene die op grond van art. 10a Participatiewet additionele werkzaamheden verricht en niet over een startkwalificatie beschikt een voorziening aanbieden in de vorm van scholing of opleiding die toegang tot reguliere arbeid bevordert. 5.. Het vijfde lid is niet van toepassing indien: de scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan; de scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 6.. Het college verstrekt aan de inburgeringsplichtige die gebruik maakt van een inburgeringsvoorziening, na afronding van deze voorziening een premie ter hoogte van € 270,-, en verrekent deze met de te innen eigen bijdrage als bedoeld in artikel 9, vierde lid van deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel