Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.1

Afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2016

Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening gaat het altijd om een individuele weging. De uitkomst kan daarom per persoon verschillen. Daarbij worden altijd de volgende elementen betrokken. Hieronder wordt toegelicht hoe het college de elementen uit artikel 5 van de verordening afweegt. Hieronder wordt toegelicht hoe het college de elementen uit artikel 5 van de verordening afweegt. Artikel 5 lid sub c de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; Artikel 5 lid 1 sub f de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening. Artikel 5 lid 1 sub g de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; De elementen komen eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen komen ook terug in artikel 8 (criteria voor maatwerkvoorzieningen). Het element goedkoopst adequate voorziening (artikel 8 lid 5 van de Verordening) wordt hieronder ook toegelicht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel