De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
opgave is verleend;
niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, van de
wet gestelde eisen;
de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is
verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel
9, eerste lid, onder f;
wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden
voorschriften of beperkingen;
niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11of 12;
de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de wet
gestelde bepalingen heeft overtreden;
gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt;
de exploitant niet langer gerechtigd is om over de ruimte te
beschikken;
niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 4, vierde lid,
gestelde eis.
de exploitant hierom verzoekt.