De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
vastgesteld op:
Vijf procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
eerste categorie;
Tien procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
tweede categorie;
Twintig procent van de bijstandsnorm of grondslag van de
uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
derde categorie;
Honderd procent van de grondslag van de uitkering ingevolge de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
vierde categorie.
Hoofdstuk 2.
Artikel 9.
Hoogte en duur van de verlaging
Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016