**1..** Het college stelt het recht op een inkomstenvrijlating ambtshalve, of wanneer dit niet mogelijk is, op schriftelijke aanvraag vast.
**2..** Voor toepassing van een inkomstenvrijlating dienen de inkomsten uit arbeid in deeltijd tezamen met andere inkomensbestanddelen niet hoger te zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag.
**3..** De inkomstenvrijlatingen worden éénmaal per uitkeringsperiode toegekend. Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt:
de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet;
de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking;
de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente werd verstrekt;
de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet.
**4..** Indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan zes maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op de inkomstenvrijlating.
**5..** Indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan 30 maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating alleenstaande ouder aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating alleenstaande ouder.
**6..** De zes maanden waarin de inkomstenvrijlating wordt toegepast liggen binnen een periode van maximaal 24 aaneengesloten maanden.
Artikel 2
– Recht op inkomstenvrijlating
Onderdeel van Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2016