Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Inrichting accountantscontrole

Onderdeel van Controleverordening 2003

1.. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de daarbij behorende werkzaamheden. 2.. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan deze zonder voorafgaande kennisgeving uitvoeren. 3.. Ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende accountantscontrole vindt periodiek overleg plaats tussen de accountant en een vertegenwoordiging van de raad, een vertegenwoordiger van de rekenkamercommissie, de portefeuillehouder financiën, de concerncontroller en het hoofd financiën & belastingen.

Rechtspraak bij dit artikel