De secretaris is bevoegd ten behoeve van het goed functioneren van de organisatie aanwijzingen te geven ten aanzien van het beleid dan wel de middelen, een en ander onverlet het bepaalde in artikel 10, lid 2, van de Organisatieregeling. De secretaris kan deze bevoegdheid slechts uitoefenen ná overleg met de directeur van de betreffende dienst. Indien de secretaris het voornemen heeft tot een daadwerkelijke aanwijzing te komen, dan legt hij dat ter bespreking voor aan het college.