Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 32

Artikel 32

Onderdeel van Monumentenverordening 2010 (1ste wijziging)

1.. Deze verordening treedt in werking op de derde dag na de dag waarop zij is afgekondigd. 2.. De Monumentenverordening 2003, vastgesteld d.d. 17 oktober 2002 komt met de inwerkingtreding van deze verordening te vervallen. 3.. De op grond van de Monumentenverordening 2003 geplaatste gemeentelijke monumenten, beeldbepalende panden en stads- en dorpsgezichten, worden geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 4.. De lijst van beschermde monumenten, de lijst van beeldbepalende panden, de lijst van beschermde stads- en dorpsgezichten en de gemeentelijke archeologische beleidskaart liggen voor een ieder ter inzage. 5.. Lopende procedures die beogen dat monumenten, panden en/of stads- en dorpsgezichten worden aangewezen als beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand dan wel als beschermd stads- en dorpsgezicht overeenkomstig voorgaande monumentenverordeningen, worden geacht te zijn gevoerd overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 6.. Verzoeken om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de bepalingen van deze verordening, tenzij de verzoeker door de bepalingen van deze verordening ten opzichte van de Monumenten- verordening 2003 nadeel ondervindt. In dat geval blijft de Monumentenverordening 2003 op het betreffende verzoek van toepassing totdat de beslissing daarop onherroepelijk is. 7.. Werkzaamheden die leiden tot een verstoring van de bodem in een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied dieper dan 50 cm in het stedelijk gebied of dieper dan 35 cm in het landelijk gebied en die hun aanvang hebben genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de bepalingen van deze verordening, tenzij de verzoeker door de bepalingen van deze verordening ten opzichte van de Monumenten- verordening 2003 nadeel ondervindt. In dat geval blijft de Monumentenverordening 2003 op de betreffende werkzaamheden van toepassing. 8.. Indien een onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, sub h, van de Monumentenwet 1988 zijn aanvang heeft genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, wordt deze afgehandeld met inachtneming van de bepalingen van deze verordening, tenzij de verzoeker door de bepalingen van deze verordening ten opzichte van de Monumentenverordening 2003 nadeel ondervindt. In dat geval blijft de Monumentenverordening 2003 op het betreffende onderzoek van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel