Algemeen
Het juridische kader van de vermogensbepalingen is met name bepaald in
artikel 34 van de Participatiewet. Uitgangspunt ten aanzien van
verificatie van vermogen is dat zoveel mogelijk originele bewijsstukken
worden gevraagd. In het onderstaande wordt het beleid beschreven ten
aanzien van de hierna aangeduide onderwerpen, waarbij vooral de
waardebepaling en interpretatie van de wet een rol spelen ten aanzien
van de vermogensvaststelling:
Vermogen en auto of motor
Vermogen en (antieke) (roerende) goederen of bezittingen
Vermogen en inkomen in natura
Vermogen en schenkingen
Vermogen en immateriële schadevergoeding
Vermogen en de staffelmethode
Vermogen en studieschulden
Vermogen en wijziging gezinssamenstelling
Vermogen en wijze van intering
Vermogen en reservering uitvaartkosten
Vermogen en pensioenreservering/oudedagsvoorziening
1. Vermogen en auto of motor
De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld naar de waarde in het
economische verkeer.
De auto als bezitting wordt als algemeen gebruikelijk beoordeeld,
onafhankelijk van het doel waarvoor de auto ooit is aangeschaft. Van
belanghebbende kan niet worden gevergd dat hij de waarde van de auto of
motor te gelde maakt. Wel is de waarde van de auto of motor van belang
bij de vermogensvaststelling indien deze een bepaalde waarde
vertegenwoordigt. In de gemeente De Wolden wordt de waarde van auto’s
en/of motoren tot een bedrag van € 7.000,00 niet als vermogen
aangemerkt. Indien de waarde van de auto of motor hierboven uitstijgt
wordt de meerwaarde wel tot het vermogen gerekend. Denk hierbij aan het
hebben van meerdere motoren en auto’s in een gezin.
Voor de bepaling van de waarde van de auto dient bij de aanvang van de
bijstandsverlening te worden uitgegaan van de inkoopwaarde, zoals deze
per kwartaal wordt vastgesteld door de ANWB/Bovag koerslijst. Het is ook
een optie om via www.anwb.nl de waarde vast te stellen. Hierbij is een
lidmaatschapsnummer vereist en via anwb.nl zijn auto’s met een bouwjaar
voor 1996 niet te raadplegen. Voor de bepaling van de waarde van de
motor kan ook contact worden opgenomen met ProMotor Advieslijn
(070-3145075).
2. Vermogen en (antieke) (roerende) goederen of
bezittingen
De waarde van bezittingen zoals kunstvoorwerpen, sieraden en antieke
klokken wordt vastgesteld naar de waarde in het economische verkeer. In
bijzondere gevallen waarbij de waarde niet goed kan worden vastgesteld,
kan de waarde getaxeerd worden door een erkende taxateur. De
taxatiekosten zijn dan voor de gemeente indien zij twijfelt aan de
opgave van de belanghebbende.
Het college hanteert het volgende beleid:
antiek, kunst en sieraden behoren tot een bedrag van € 7.000,00
niet tot het vermogen,
indien zeer aannemelijk is dat deze goederen een emotionele
waarde hebben, dan wordt de “vrijstelling” van het vermogen tot
€ 12.000,00 verhoogd.
3. Vermogen en inkomen in natura
Indien inkomen in natura van de Participatiewet -er (en gezinsleden) in
aanmerking wordt genomen, dan wordt de waarde daarvan vastgesteld op het
daarvoor door belanghebbende opgeofferde bedrag (artikel 33, lid 1
Participatiewet). Het college betrekt derhalve de inkomsten in natura
slechts in de beoordeling voor zover deze inkomsten leiden tot lagere
bestaanskosten. Voor het bepalen van de waarde van het inkomen in natura
kan worden uitgegaan van de richtprijzen zoals deze staan vermeld in de
Prijzengids van het Nibud.
4. Vermogen en schenkingen
In artikel 31 Participatiewet, is geregeld dat giften niet worden
meegerekend bij de vaststelling van de middelen, voor zover dit uit
oogpunt van bijstands- of de inkomensvoorzieningsverlening verantwoord
is. Het college heeft dus een bepaalde beleidsvrijheid, waarvoor de
volgende regels worden gesteld:
Giften met een periodiek karakter worden als inkomen beschouwd
en derhalve niet vrijgelaten.
Giften met een eenmalig karakter en niet meer dan 5% van de van
toepassing zijnde bijstandsnorm op jaarbasis worden vrijgelaten.
Onder eenmalig wordt verstaan eenmaal voorkomend in de 24
maanden.
Voor zover de eenmalige gift hoger is dan de genoemde vrijlating van 5%
van de toepasselijke norm, wordt dat deel als vermogen aangemerkt en
wordt dit derhalve niet vrijgelaten. Dit deel van de gift moet dan
worden opgeteld bij het vastgestelde vermogen. Afhankelijk van de
uitkomst moet er dan gehandeld worden. Dat kanbetekenen dat er ingeteerd
moet worden. Dit is echter niet aan de orde wanneer het beneden het vrij
te laten vermogen blijft.
Indien de bestemming van de gift betrekking heeft op kosten die in de
algemene bijstand zijn begrepen, wordt de gift volledig in aanmerking
genomen.
5. Vermogen en immateriële schadevergoeding
In artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet, is vastgelegd dat niet als
vermogen wordt aangemerkt een uitkering in verband met geleden
immateriële schade, ook wel smartengeld genoemd. Hierbij geldt als
criterium de aard en doel van het smartengeld. In deze gemeente wordt
een bedrag tot € 12.000,00 niet tot het vermogen gerekend. Indien
daartoe in een individueel geval aanleiding bestaat, kan eventueel een
hoger bedrag worden vrijgelaten, afhankelijk van geldende jurisprudentie
en hetgeen als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.
Deze restrictie is ingegeven door het feit dat de laatste jaren sneller
tot schadevergoeding wordt overgegaan en dat de toegekende bedragen
hoger worden. Door de Centrale Raad van Beroep is vastgesteld dat het
moment van uitbetaling van deschadevergoeding bepalend is voor de vraag
op welke periode de schadevergoeding betrekking heeft. Deze kan derhalve
niet aan een voorliggende periode worden toegerekend en kan niet leiden
tot intrekking met terugwerkende kracht. Na toekenning boven de grens
van € 12.000,00 zal derhalve een periode van intering het gevolg
zijn.
6. Vermogen en de staffelmethode
Het vermogen wordt slechts bij aanvang van de bijstand vastgesteld. In
artikel 34 Participatiewet zijn de vermogensgrenzen vastgelegd. De
grenzen gelden uiteraard bij de vaststelling van het vermogen bij de
eerste toekenning van een bijstandsuitkering. Volgens de Memorie van
Toelichting op de Participatiewet kunnen nieuwe vermogensgrenzen worden
gehanteerd op het moment dat er een vermogensaanwas is en derhalve moet
worden beoordeeld in hoeverre het vermogen niet uitstijgt boven het vrij
te laten vermogen zoals in artikel 34 lid 3 Participatiewet genoemd op
het moment van die vermogensaanwas. Het betekent dat met een eventuele
vermogensafname wel degelijk rekening moet worden gehouden.
Bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen valt het
begrip “vermogensruimte”, het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen
zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand,
samen met het begrip vermogensgrens in artikel 34 lid 3 Participatiewet.
De resterende vermogensruimte kan nooit groter zijn dan de toepasselijke
vermogensgrens van artikel 34 Participatiewet. Dat betekent dat het
hebben van een negatief aanvangsvermogen de resterende vermogensruimte
niet vergroot. Tijdens een ononderbroken bijstandsperiode kan bij een
tussentijdse toename van het vermogen, na een eerdere positieve
vermogensvaststelling, slechts het verschil tussen het eerder
vastgestelde vermogen en de in acht te nemen vermogensgrens worden
vrijgelaten.
7. Vermogen en studieschulden
Met schulden in het kader van de Wet op de studiefinanciering wordt bij
de beoordeling van de vermogenspositie van de (ex-)student geen rekening
gehouden, omdat niet vaststaat of aan de studieschuld daadwerkelijk een
verplichting tot terugbetaling is verbonden. De verplichting tot
aflossing is gedurende de zogeheten aflosfase (15 jaar of 30 jaar)
namelijk afhankelijk van de aanwezige draagkracht, waarbij nihil
stelling mogelijk is, en gaat na de aflosfase in elk geval teniet (zie
uitspraak CRvB 2-5-2000, JABW 2000/106, LJN: ZB8767).
Studieschulden aan ouders worden niet in mindering gebracht op het
vermogen. Tot de 21-jarige leeftijd van hun kind voldoen ouders
rechtstreeks aan de onderhoudsplicht ex artikel 1:395a BW.
Boven de 21-jarige leeftijd is er hooguit sprake van een natuurlijke,
dus rechtens niet afdwingbare verbintenis voor het kind tot
terugbetaling.
8. Vermogen en wijziging gezinssamenstelling
Bij een wisseling van de gezinssamenstelling gelden de nieuwe
vermogensgrenzen ingevolge artikel 34 lid 3, sub a, b of c van de
Participatiewet. De gemeente zal naar billijkheid moeten vaststellen
wanneer de nieuwe vermogensgrens geldt en hoe deze tot stand komt.
Hierbij kan worden gedacht aan de volgende situaties:
een echtpaar gaat uiteen, waardoor beiden een alleenstaande norm
krijgen. Het resterende vermogensbedrag wordt ieder voor de
helft aan hen beiden toegerekend, voor zover niet anders
wettelijk bepaald.
Indien twee belanghebbenden gaan samenwonen worden de
vermogensbedragen bij elkaar opgeteld.
Als bij een alleenstaande ouder het laatste ten laste komende
kind vertrekt, dient het vermogen van de alleenstaande opnieuw
te worden vastgesteld.
Het vermogen wordt dus opnieuw vastgesteld op het moment dat de
wijziging in de gezinssituatie zich voordoet. Het college geeft in alle
gevallen waarin de vrijlating grens ingevolge artikel 34 Participatiewet
wijzigt (als gevolg van een wisseling van de gezinssamenstelling), een
nieuwe beschikking af met daarin de nieuwe vermogensgrenzen en de nog
resterende vrijlating.
9. Vermogen en intering vermogen
Indien een belanghebbende een vermogen heeft dat uitstijgt boven de voor
hem toepasselijke vermogensgrens, dan dient de belanghebbende eerst in
te teren op dit vermogen.
Als regel wordt hierbij een interingsbedrag volgens jurisprudentie
gehanteerd. gehanteerd. Hierbij houden we rekening met inkomsten en
bijzondere noodzakelijke uitgaven. Dit is het maximale bedrag. Indien
belanghebbende sneller inteert en daardoor vroegtijdig een beroep moet
doen op de bijstand, beoordeelt het college of er sprake is van
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de kosten van het
bestaan. Het opleggen van den maatregel ingevolge artikel 18
Participatiewet en de Maatregelenverordening kan dan aan de orde
zijn.
10. Vermogen en reservering uitvaartkosten
In het verleden kwam het nogal eens voor dat ouderen een vermogen hadden
gespaard teneinde de begrafeniskosten te kunnen dekken, wegens
onderverzekeringvoor de uitvaart.
Bij de berekening van de draagkracht wordt in de meeste gevallen het
vermogen dat beneden de van toepassing zijnde vermogensgrenzen ingevolge
artikel 34 Participatiewet blijft buiten beschouwing gelaten. Er is geen
aparte vrijstelling meer op deze vermogensvrijlating ten behoeve van
reservering uitvaartkosten. Slechts in individuele en zeer bijzondere
omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.
Toetsingskader vermogen
Soorten kosten en vrijstelling:
Waarde van auto en motor (obv koerslijst ANWB) vrijlaten tot €
7.000,00
Antiek, kunst en sieraden vrijlaten tot een bedrag van €
7.000,00
Antiek, kunst en sieraden met emotionele waarde vrijlaten tot €
12.000,00
Immateriële schadevergoeding wordt vrijgelaten tot €
12.000,00
Giften met een eenmalig karakter (eens in de 24 maanden)
vrijlaten tot 5% norm/jr
Er is geen aparte vrijstelling meer op deze vermogensvrijlating
ten behoeve van reservering uitvaartkosten.
Overige vermogensbepalingen:
Inkomsten in natura worden meegenomen in de beoordeling voor
zover deze inkomsten leiden tot lagere bestaanskosten. Voor het
bepalen van de waarde van het inkomen in natura wordt uitgegaan
van de richtprijzen zoals deze staan vermeld in de Prijzengids
van het Nibud.
Het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. Er
kunnen nieuwe vermogensgrenzen worden gehanteerd op het moment
dat er een vermogensaanwas is.
Bij de vaststelling van het vermogen wordt geen rekening
gehouden met studieschulden.
Bij wisseling van de gezinssituatie gelden nieuwe
vermogensgrenzen en wordt het vermogen opnieuw vastgesteld,
Indien een belanghebbende een vermogen heeft dat uitstijgt boven
de voor hem toepasselijke vermogensgrens, dan dient de
belanghebbende eerst in te teren op dit vermogen.
Deel 3
Artikel 3.11
Vermogensbepalingen
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016