**1..** De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend
op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de bijstand aan
de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
voor die maand geldende bijstandsnorm.
**2..** Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen of het
schenden van een verplichting die opgenomen is in artikel 18, vierde
lid, van de Participatiewet vindt de verlaging van de bijstand
plaats:
voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is van
een eerste verwijtbare gedraging;
voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor hetzelfde of
een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden
na
de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.
**3..** Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening.
**4..** Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
daartoe aanleiding geven.
**5..** Met betrekking tot de duur van de verlaging bij tekortschietend
besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
door vermogen op onverantwoord snelle wijze in te teren, stelt het
college nadere regels.