Een aanvrager als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan:
voor de in artikel 3.1, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een voorziening voor het voeren van de huishouding noodzakelijk maken en de algemene voorziening dit snel en langdurig adequaat kan oplossen.
voor de in artikel 3.1, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
de in artikel 3.1 onder a. genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of
niet beschikbaar is.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2.
Primaat van de algemene voorziening voor het voeren van een huishouden
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2007