De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen sprake was van een overmachtsituatie;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie van de aanvrager te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt en bedoeld is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-erkende instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, verhuisd is vanuit een woonruimte waar geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden.
de beperking of het probleem bij het normale gebruik van de woning voortvloeit uit de aard van de in woning gebruikte materialen;
voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan de sociale woningbouw;
er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de beperking of het probleem en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning;
de beperking of het probleem niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning wordt begrepen) wordt ondervonden.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.18
Beperkingen.
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2007