Naar hoofdinhoud
1. Ter behartiging van het in artikel 3 genoemde belang is het bestuur bevoegd tot: het vaststellen van de organisatiestructuur; het vaststellen van het (meerjaren)personeels- en formatieplan; het vaststellen en uitvoeren van het personeelsbeleid; het nemen van besluiten terzake het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel alsmede het voeren van rechtsgedingen; het aanschaffen en het beheren van de middelen ten behoeve van het apparaat; het aanschaffen en het beheren van materieel dat structureel door meer dan één recreatieschap wordt gebruikt; het doen van beleidsvoorstellen aan de recreatieschappen, betreffende gemeenschappelijke beleidsuitgangspunten; het bespreken van gemeenschappelijke thema’s en het - waar nodig en door de recreatieschappen gewenst voorbereiden van gemeenschappelijk beleid. 2. Naast de bevoegdheden vermeld in het eerste lid kan de bedrijfsvoeringsorganisatie taken voor derden uitvoeren. Deze werkzaamheden mogen niet in strijd zijn met het belang waarvoor de regeling is getroffen, moeten minimaal kostendekkend zijn en mogen niet tot gevolg hebben dat de bedrijfsvoeringsorganisatie niet langer ten minste 80% van zijn werkzaamheden voor deelnemers verricht. 3. De bevoegdheden genoemd in het eerste lid worden uitgeoefend binnen de grenzen van de rechtspositieregeling van de provincie Utrecht als bedoeld in artikel 13 en de vastgestelde begroting en algemene financiële kaders als bedoeld in artikel 17 van deze regeling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel