Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Beëindigingsgronden

Onderdeel van Beleidsregels schuldhulpverlening2016

Het college besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien: de belanghebbende één of meerdere verplichtingen zoals genoemd in artikel 4 en 5 niet, niet tijdig of in onvoldoende mate nakomt en een door het college geboden termijn om alsnog te voldoen aan de geschonden verplichting(en) ongebruikt is verstreken; de noodzaak tot schuldhulpverlening niet langer aanwezig is, zoals beschreven in artikel 3 lid 1 of naar het oordeel van het college niet langer passend is. De noodzaak ontbreekt in ieder geval als er geen sprake is van problematische schulden of als de belanghebbende in staat moet worden geacht om de schuldenproblematiek zelf of met behulp van anderen aan te pakken; er niet langer sprake is van een stabiel inkomen op minimaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm; de belanghebbende feitelijk niet woonachtig is op het adres waarop hij of zij staat ingeschreven in de basisregistratie personen; de belanghebbende intimiderend, dreigend en/of agressief gedrag vertoont jegens medewerkers van de gemeente of derden die namens of in samenwerking met de gemeente het schuldhulpverleningstraject uitvoeren; de belanghebbende bezig is met een echtscheidingsprocedure en de echtscheiding nog niet staat opgenomen in de basisregistratie personen, tenzij een schuldregeling tot stand is gekomen; de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert met een niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner en/of kinderen, tenzij het schuldhulpverleningstraject naar het oordeel van het college succesvol kan worden doorlopen; de belanghebbende, naar het oordeel van het college, niet daadwerkelijk bereid is zijn financiële problemen aan te pakken of de belanghebbende onvoldoende gemotiveerd is; het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond en nazorg heeft plaatsgevonden; op verzoek van belanghebbende zelf; de belanghebbende is komen te overlijden; de belanghebbende verhuist naar een andere gemeente, tenzij er sprake is van een lopende schuldregeling; op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan belanghebbende is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; er schulden zijn ontstaan, omdat de belanghebbende niet te goeder trouw is geweest bij het laten ontstaan of onbetaald laten van de schulden; de belanghebbende in de periode van 5 jaar voorafgaand waarop het verzoek is ingediend, dan wel gedurende het schuldhulpverleningstraject, fraude heeft gepleegd, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, Wgs, tenzij de opgelegde bestuurlijke sanctie, naar het oordeel van het college, geen belemmering vormt voor de schuldhulpverlening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel