Bij windturbines kunnen zich ongewone voorvallen voordoen. Op basis van jurisprudentie wordt onder een ongewoon voorval verstaan: elke gebeurtenis in een inrichting die, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten met (mogelijk) nadelige gevolgen voor het milieu. Hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer en enkele bepalingen in het Activiteitenbesluit regelen hoe de houder van de windturbine én het bevoegd gezag een ongewoon voorval moeten afhandelen.
5.4.1. Verplichtingen houder windturbine
Wat de houder van een windturbine moet doen wanneer er sprake is van een ongewoon voorval, is bepaald in titel 17.1 van de Wet milieubeheer (artikelen 17.1 tot en met 17.5). De houder van de inrichting moet onmiddellijk maatregelen treffen. Denk dan aan: de windturbine(s) stil zetten, het bevoegd gezag informeren en informatie verstrekken over de (mogelijke) oorzaak, omstandigheden en de ondernomen maatregelen.
Direct maatregelen treffen
Om herhaling van het voorval te voorkomen neemt de houder van de windturbine na een ongewoon voorval direct maatregelen. Dit is hij verplicht op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.1 lid 1). Het gaat daarbij om maatregelen die op basis van redelijkheid van de houder verwacht mogen worden. De maatregelen hebben betrekking op het voorkomen, ongedaan maken of beperken van (mogelijk) nadelige gevolgen voor het milieu.
Inrichting geheel of gedeeltelijk stil
Artikel 17.1 lid 2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat de houder van de inrichting de inrichting stil legt wanneer er sprake is van een ongewoon voorval. Dit geldt wanneer direct gevaar ontstaat voor de volksgezondheid of als er gevolgen voor het milieu ontstaan waarbij niet kan worden gewaarborgd dat met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan de voorschriften van de omgevingsvergunning. Bij een ongewoon voorval bij windturbines betekent dit dat de houder geacht wordt de windturbines stil te zetten.
Bevoegd gezag informeren
De Wet milieubeheer (artikel 17.2) regelt hoe de drijver van de inrichting het bevoegd gezag informeert bij een ongewoon voorval. Degene die een inrichting drijft waarin zich een ongewoon voorval heeft voorgedaan moet dit zo spoedig mogelijk melden aan het bevoegd gezag (Artikel 17.2 lid 1). In het geval van de windturbines is dat het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder.
Informatie over oorzaken, omstandigheden en maatregelen
Welke informatie aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt staat beschreven in artikel 17.2, lid 2 van de Wet milieubeheer. Het gaat om informatie over de oorzaak van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan. Ook moet worden benoemd welke maatregelen zijn genomen of worden overwogen om te voorkomen dat een soortgelijk voorval nog een keer plaatsvindt.
Verplichtingen Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 3.14 van het Activiteitenbesluit is een bijzondere bepaling voor ongewone voorvallen bij windturbines. Vooral van belang zijn de bepalingen in lid 2 en lid 3 van Artikel. Hierin staat aangegeven dat een houder van de windturbine preventief moet handelen als er een vermoeden bestaat van een gebrek aan de windturbine. Daarbij geldt de verplichting te onderzoeken wat er aan de hand is als de windturbine is stilgezet door het beveiligingssysteem van de windturbine.
Windturbine onmiddellijk buiten bedrijf
Artikel 3.14 lid 2 (Activiteitenbesluit) bepaalt dat de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf wordt gesteld wanneer de windturbine een gebrek heeft waardoor de veiligheid van mens/dier in de directe omgeving in het geding is. Het bevoegd gezag moet in dit geval zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd. De windturbine mag pas weer in bedrijf genomen worden nadat alle gebreken zijn hersteld.
Stil gezet door een beveiliging
Het kan voorkomen dat een beveiligingssysteem een windturbine buiten bedrijf stelt. Artikel 3.14 lid 3 (Activiteitenbesluit) bepaalt dat een windturbine in een dergelijk geval pas weer in werking wordt gesteld nadat de oorzaak is verholpen.
Preventief optreden
Artikel 3.14 lid 2 (Activiteitenbesluit) gaat over situaties waarin er sprake is van een vermoeden van een gebrek aan de windturbine. Wanneer de houder een vermoeden heeft van een gebrek aan een windturbine wordt verwacht dat hij preventief actie onderneemt om dit gebrek te onderzoeken dan wel te herstellen.
5.4.2. Bevoegdheden en verplichtingen bevoegd gezag
Het bevoegd gezag heeft een aantal bevoegdheden en verplichtingen bij een ongewoon voorval. De verplichtingen van het bevoegd gezag hebben betrekking op het doormelden aan andere instanties. De bevoegdheden hebben betrekking op het treffen van maatregelen, het verzamelen van gegevens en het aanpassen van omgevingsvergunning.
Verplichtingen van het bevoegd gezag
De verplichtingen van het bevoegd gezag zijn geregeld in artikel 17.2 lid 3 (Wet milieubeheer). Dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan een melding over een ongewoon voorval onmiddellijk doorgeeft aan andere instanties. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van het ongewone voorval zijn:
de burgemeesters van de betrokken gemeente(n);
de inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT);
de voorzitters van de betrokken veiligheidsregio’s in het geval de gevolgen van het voorval zich voordoen dan wel kunnen voordoen buiten de grenzen van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak ligt;
het college van Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie in geval het voorval verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg heeft;
andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die belang hebben bij snelle informatievoorziening.
Bevoegdheden van het bevoegd gezag
De bevoegdheden van het bevoegd gezag (artikel 17.3 Wet milieubeheer) hebben betrekking op het verplichten van de drijver van de inrichting tot het nemen van maatregelen, er op toe te zien dat gegevens worden verzameld en via een beschikking zorg te dragen dat de omgevingsvergunning wordt gewijzigd en/of voorschriften worden opgelegd.
Drijver inrichting verplichten om passende maatregelen te treffen
Het bevoegde bestuursorgaan verplicht degene die de inrichting drijft alle passende aanvullende maatregelen te nemen, die (binnen redelijkheid) nodig zijn om:
de gevolgen van het gemelde voorval voor het milieu te beperken;
herhaling van het gemelde voorval te voorkomen;
ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning voor de inrichting of voor de inrichting geldende regels bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur (artikel 8.40).
Erop toezien dat nodige gegevens worden verzameld
Het bevoegde bestuursorgaan ziet erop toe dat de nodige gegevens worden verzameld om het voorval te analyseren en de oorzaak ervan te achterhalen.
Omgevingsvergunning wijzigen of voorschriften stellen
Om herhaling te voorkomen wijzigt het bevoegde bestuursorgaan zo nodig de omgevingsvergunning. Ook kunnen daarvoor gerichte aanbevelingen worden gedaan of via een beschikking voorschriften worden opgelegd (artikel 8.40). Van laatstbedoelde beschikking wordt mededeling gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.4.