Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 4.1

Overgangsbepalingen

Onderdeel van Verordening voor kamerverhuurpanden 2009 (versie 4/3e wijziging)

1.. Het gebruik als kamerverhuurpand, zoals dat aantoonbaar bestond op 1 januari 2008, mag worden voortgezet, indien voor dit gebruik binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze verordening een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening totdat op deze aanvraag is beslist. 2.. Wanneer in een gebied door inwerkingtreding van een bestemmingsplan een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden vervalt, mag het gebruik als kamerverhuurpand worden voortgezet indien: a. dit gebruik aantoonbaar bestond op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. dit gebruik in overeenstemming was met het bestemmingsplan, waarin een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden was opgenomen en c. binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening 3.. Aan de eigenaar van een kamerverhuurpand als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt geacht een tijdelijke vergunning te zijn verleend vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening respectievelijk het bestemmingsplan, totdat op de aanvraag is beslist. 4.. Op de aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid is het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid, onder a en b, niet van toepassing. 5.. Het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid, onder a en b, is evenmin van toepassing op een aanvraag om verlenging van een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een kamerverhuurpand als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel