Voor de uitvoering van deze verordening in het eerstvolgende kalenderjaar stelt het college jaarlijks vóór 1 december de volgende bedragen vast:
een normbedrag per programmaonderdeel, met uitzondering van het programmaonderdeel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub g;
de maximale kosten van het verkrijgen in eigendom als bedoeld in artikel 15, sub b;
de maximale hoofdsom en de minimale hoofdsom van de VROM-starterslening;
de maximale gemiddelde verkoopwaarde als bedoeld in artikel 23, lid 1, sub c;
het minimale bedrag van de kosten van het treffen van de voorzieningen als bedoeld in artikel 23, lid 1, sub d;
de maximale hoofdsom en de minimale hoofdsom per woning van de stimuleringslening voor het programmaonderdeel woningen van verenigingen van eigenaren als bedoeld in artikel 24, lid 1;
de maximale hoofdsom per woning van de stimuleringslening voor het programmaonderdeel wonen boven winkels als bedoeld in artikel 26, lid 1;
de maximale hoofdsom en de minimale hoofdsom per woning van de stimuleringslening voor het programmaonderdeel opplussen als bedoeld in artikel 28, lid 1;
de toeslag per woning wegens het plaatsen van een liftinstallatie als bedoeld in artikel 28, lid 2.