**1..** Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als
uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de
Woningwet 1901, hetzij voor, hetzij na inwerkingtreding van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening (stb. 286 van 1962) geen
voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die
plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of
terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke
Ordening heeft plaatsgevonden, is het verboden die bouwwerken,
open erven of terreinen te gebruiken, in gebruik te geven of te
laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit
dat plan of die voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat
de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming is
verwezenlijkt.
**2..** Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken
en hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming,
die zij blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.
**3..** Niet van toepassing is het bepaalde in de leden 1 en 2 voor een
gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze
verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen
wijziging wordt gebracht.
**4..** Ontheffing kan worden verleend van het bepaalde in de leden 1 en
2.
Hoofdstuk 7 › Paragraaf 3
Artikel 7.3.1
Verbod tot gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming (op basis van de bouwverordening vastgesteld bij raadsbesluit van 23 maart 1967 - zie toelichting).
Onderdeel van Bouwverordening 1996 (versie 4) (12e wijziging)