Naar hoofdinhoud
1.. De raad benoemt de voorzitter en de overige leden van de rekenkamer op voorstel van het presidium. 2.. De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar (artikel 81c, lid 1 van de wet). Zij kunnen eenmalig worden herbenoemd. 3.. Bij de samenstelling van de rekenkamer wordt een evenwichtige spreiding van competenties, welke voor het goed functioneren van de rekenkamer van belang zijn nagestreefd. 4.. Het presidium doet het voorstel als bedoeld in het eerste lid vergezeld gaan van een verklaring van iedere kandidaat bevattende: de mededeling dat hij/zij de benoeming als lid zal aanvaarden; een overzicht van de openbare betrekkingen die hij/zij bekleedt. 5.. Voorafgaand aan de benoeming van de voorzitter en de overige leden van de rekenkamer pleegt het presidium desgewenst overleg met de rekenkamer. 6.. De rekenkamer wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan, die bij afwezigheid van de voorzitter diens taken waarneemt. 7.. Als de voorzitter door de raad wordt ontslagen of op non-actief wordt gesteld, kan de raad voor de tijdelijke vervanging in de functie van voorzitter een van het zesde lid afwijkende voorziening treffen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel