Naar hoofdinhoud
1.. De rekenkamer is bevoegd binnen een aan haar bij de begroting door de raad beschikbaar gesteld budget uitgaven te doen ten behoeve van de uitvoering van haar taken. 2.. Ten laste van het in het eerste lid bedoelde budget worden de kosten gebracht betreffende: de vergoedingen aan de leden; de ambtenaren van de rekenkamer; de externe deskundigen die eventueel door de rekenkamer zijn ingeschakeld; overige uitgaven die de rekenkamer nodig acht voor de uitoefening van haar taak. 3.. De rekenkamer verantwoordt jegens de raad de baten en lasten van het vorig begrotingsjaar in het jaarverslag als bedoeld in artikel 185, derde lid van de wet. 4.. De voorzitter doet jaarlijks vóór 1 april desgewenst een voorstel aan het presidium met betrekking tot het budget voor de rekenkamer voor het komende begrotingsjaar. 5.. Om jaarlijkse fluctuaties in de (externe) onderzoeksuitgaven van de rekenkamer te kunnen opvangen wordt eventuele onderuitputting van het jaarbudget jaarlijks meegenomen naar het volgende begrotingsjaar, tot een maximumbedrag ter hoogte van 10% van het jaarbudget

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel