**1.** Het is verboden het voortbestaan van een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, in gevaar te brengen en zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften een gemeentelijk monument:
te slopen of te verplaatsen;
te verstoren of te wijzigen;
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
te beschadigen of te vernielen.
of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
**2.** Het verbod, bedoeld onder 1, geldt niet indien het college in de vergunning nadere voorschriften stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het vijfde lid.
**3.** Het bevoegd gezag kan in het belang van het behoud van de cultuurhistorische waarden bepalen, dat voorafgaand aan de besluitvorming onderzoek wordt verricht.
**4.** Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een gemeentelijk kerkelijk monument, geen vergunning als bedoeld onder 1 dan in overleg met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.
**5.** Een vergunning voor een activiteit als bedoeld onder 1 is niet vereist indien deze activiteit betrekking heeft op:
regulier onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt;
een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen aan een onderdeel van een monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.