Naar hoofdinhoud
Een ontheffing en vergunning kan in ieder geval worden gewijzigd of ingetrokken als: het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend; de houder van de ontheffing of vergunning handelt in strijd met de voorschriften die aan de ontheffing of vergunning zijn verbonden of de bij de ontheffing of vergunning opgelegde verplichtingen niet nakomt; geen gebruik is gemaakt van de ontheffing of vergunning binnen een in deze verordening genoemde termijn. Als geen termijn is bepaald geldt dat gebruik moet worden gemaakt van de ontheffing of vergunning binnen een termijn van drie jaar of binnen een kortere termijn wanneer dat in het besluit is voorzien; ter verkrijging van de vergunning of ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de houder dit verzoekt.

Rechtspraak bij dit artikel