** 1. .** Voor een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de wet geldt onder meer dat:
de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte;
de nieuwe houtopstand gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
de nieuwe houtopstand binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak dient te kunnen vormen;
de nieuwe beplanting zowel kwalitatief als kwantitatief in redelijke verhouding staat tot de gevelde of tenietgegane houtopstand;
het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse niet is toegestaan;
indien herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden plaatsvindt deze geschiedt op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet; en,
de herbeplante houtopstand op termijn ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden dient te kunnen vertegenwoordigen.
** 2. .** Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen ook een vrijstelling inhouden van de eis dat bepaalde soorten bij herbeplanting niet mogen worden toegepast.
Hoofdstuk 3.a. › Titel 3a.5
Artikel 3a.32