Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.49.3A

Toepassing wijzigingsbevoegdheid artikel 2.49.3

Onderdeel van Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016

1. . Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.49.3 voorziet er in elk geval in dat van de wijzigingsbevoegdheid slechts gebruik kan worden gemaakt indien aangetoond wordt dat: het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot redelijkerwijs noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; bij het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot er een gelijkwaardige sloot wordt aangelegd of een nieuwe gelijkwaardige sloot wordt aangewezen; het verleggen van een (deel van een) sloot de kleinschaligheid van het landschap en de onregelmatige blokverkaveling accentueert, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige aardkundige waarden; het dempen van een (deel van een) sloot gepaard gaat met het realiseren van een compenserende sloot, die de kleinschaligheid van het landschap en de onregelmatige blokverkaveling accentueert, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige aardkundige waarden; en het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot alleen kan plaatsvinden nadat de nieuwe sloot is gerealiseerd, dan wel het realiseren van de nieuwe sloot geborgd is in een uitvoeringsovereenkomst. 2. . Alvorens van de wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken wordt advies ingewonnen bij de Gebiedsraad Middag-Humsterland en bij het waterschap. 3. . Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.49.3 voorziet in een verbod om verlegde, compenserende en nieuw aangewezen sloten te verleggen en te dempen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel