**1.** Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op vrijgekomen gebouwen in het buitengebied die na 14 december 1994 aan de oorspronkelijke functie zijn onttrokken voorziet niet in:
het vergroten van gebouwen;
het oprichten van nieuwe gebouwen, anders dan vervangende nieuwbouw.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in:
de mogelijkheid tot het vergroten van vrijgekomen gebouwen, als ten minste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als:
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, , met niet meer dan 20% kan toenemen, en;
aan de ruimtelijk relevante kenmerken van de gebouwen geen afbreuk wordt gedaan.
de mogelijkheid tot het vergroten van vrijgekomen gebouwen met een grotere oppervlakte dan 20% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, als ten minste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als:
voor deze uitbreiding de maatwerkmethode is gevolgd onder begeleiding van een onafhankelijke- of een door de gemeente aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, waarbij rekening wordt gehouden met:
de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;
de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de gebouwen;
het woon- en leefklimaat van direct omwonenden, en;
het aspect nachtelijke lichtuitstraling.
de mogelijkheid om een of meer nieuwe, bijbehorende bouwwerken op te richten, als tenminste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als:
de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen, , met niet meer dan 20% kan toenemen, en;
de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bijgebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld.
de mogelijkheid om een of meer nieuwe, bijbehorende bouwwerken op te richten met een grotere oppervlakte dan 20% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen , als tenminste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als voor deze uitbreiding de maatwerkmethode is gevolgd onder begeleiding van een onafhankelijke- of een door de gemeente aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, waarbij rekening wordt gehouden met:
de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;
de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de gebouwen;
het woon- en leefklimaat van direct omwonenden, en;
het aspect nachtelijke lichtuitstraling.
Hoofdstuk
Artikel 2.13.3