Naar hoofdinhoud
1. Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.26.7, of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het agrarisch bouwperceel op te richten of aan te leggen. 2. Gedeputeerde Staten kunnen verklaren geen bedenkingen te hebben tegen het bij omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid, als wordt aangetoond dat de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is, en: de opslag van mest en veevoer zoveel mogelijk aansluit op bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel, waarbij een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel niet mag worden overschreden, en; andere (ruimtelijk relevante) belangen niet onevenredig worden geschaad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel