**1.** Het is verboden naar een weg een uitweg te maken, te hebben of te wijzigen.
**2.** Het is verboden van een weg gebruik te maken voor het leggen of laten liggen van riolen, duikers, leidingen, buizen en kabels, behoudens het bepaalde in de Telecommunicatiewet.
**3.** Het is verboden om tussen een weg en een andere niet bij de provincie in beheer zijnde weg een verbinding te maken, te hebben of te wijzigen.
**4.** Het is verboden:
op een weg een standplaats in te nemen voor de levering van goederen en diensten;
een voertuig als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of enige constructie voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op een weg te parkeren, te plaatsen of te laten staan, uitsluitend met het kennelijke doel daarmee handelsreclame te maken.
**5.** Het is verboden:
in een weg te graven of te spitten of een berm op andere wijze te bewerken;
een bermsloot te dempen of af te dammen of de afvoercapaciteit daarvan te wijzigen;
in een berm beplanting aan te brengen, te hebben of te verwijderen.
**6.** Het is verboden van een weg gebruik te maken voor het plaatsen en laten staan van borden, spandoeken en dergelijke, met uitzondering van de verkeerstekens volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
**7.** Het is, voor zover dat niet al bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 strafbaar wordt gesteld, verboden buiten een weg verlichting en voorwerpen zodanig aan te brengen of te hebben, dat daardoor de veiligheid van het verkeer op de weg in gevaar kan komen.
**8.** Het is verboden op gronden langs een weg, voertuigen, werken, voorwerpen, stoffen en materialen, wallen, bouwwerken en beplanting te plaatsen, op te richten, uit te breiden, geheel of gedeeltelijk te vernieuwen of te veranderen, wanneer daardoor het vrije zicht voor het verkeer wordt belemmerd.
**9.** Het is verboden gebruik te maken van een weg anders dan waartoe een weg is bestemd, door:
enig werk, niet elders in deze verordening genoemd, in, op, onder of over een weg te maken of te behouden;
in, onder of op een weg vaste stoffen of voorwerpen te leggen of te laten liggen;
een weg te verontreinigen met stoffen of vloeistoffen die hinderlijk of schadelijk zijn voor het verkeer of de weg.
**10.** De in deze titel vervatte verbodsbepalingen gelden niet voor:
onderhouds- en verbeteringswerken, die door of op last van Gedeputeerde Staten worden uitgevoerd;
het maken van lasgaten en huisaansluitingen voor de watervoorziening, de energievoorziening of de telecommunicatie op voorwaarde dat daarvoor geen verhardingen van de weg moeten worden opgebroken of gekruist.
Het voornemen om de onder het tiende lid, onder b, bedoelde werkzaamheden uit te voeren, meldt de belanghebbende ten minste twee weken van tevoren schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.
Hoofdstuk
Artikel 4.20