**1.** Op grond van de Ontgrondingenwet is een vergunning niet vereist:
voor aanleg en onderhoud van waterstaatswerken, wegen en bijbehorende kunstwerken, wanneer de ontgronding wordt uitgevoerd door of in opdracht van het Rijk, de provincie of een gemeente;
voor het maken, wijzigen, onderhouden of verwijderen van funderingen en bouwwerken, het aanleggen onderhouden of verwijderen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, onderhouden of verwijderen van palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het delven, openen en ruimen van graven;
voor het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van watergangen door of in opdracht van een waterschap, voor zover de ontgronding wordt uitgevoerd voor de waterhuishouding of de scheepvaart;
voor het doen van archeologische opgravingen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Monumentenwet 1988; of
voor werkzaamheden die behoren tot de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf.
**2.** Als voor een ontgronding een vergunning is verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of anderszins een overheidsorgaan een toets heeft uitgevoerd, is een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet niet vereist, in het geval dat:
de verlaging van het maaiveld minder dan 3.00 m is of
minder dan 10.000 m3 bodemmateriaal wordt weggenomen van de plaats waarop dit materiaal voor de ontgronding aanwezig was.
**3.** Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet niet is vereist, als een ontgronding deel uitmaakt van een project waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht.
**4.** Gedeputeerde Staten stellen met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vast voor welke dijken, dijkgedeelten of restanten van oude dijken het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn. Gedeputeerde Staten leggen hun ontwerpbesluit voor aan Provinciale Staten met de uitnodiging om hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken.
Hoofdstuk
Artikel 6.1