**1.** In afwijking van artikel 2.26.1, eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de oprichting van:
voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het agrarisch bouwperceel, op voorwaarde dat in de planregeling in de vorm van voorwaarden is geborgd dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als:
objectief wordt aangetoond dat de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is; en
de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer zoveel mogelijk aansluiten op bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel, waarbij een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel niet mag worden overschreden; en
andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; en
over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijkeof een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en
de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer aansluitend op het agrarisch bouwperceel, wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning;
voorzieningen voor mestopslag buiten het bouwperceel op een afstand verder dan 25 meter van de grens van het bouwperceel, op voorwaarde dat in de planregeling in de vorm van voorwaarden is geborgd dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als:
de locatie voor de mestopslag ligt in een gebied dat daarvoor uit oogpunt van behoud van landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten aanvaardbaar wordt geacht; en
wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of
de voorzieningen noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken; en
andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; en
over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van de mestopslag advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en;
de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van opslagvoorzieningen voor mest op de veldkavel wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning.
**2.** Gedeputeerde Staten stellen op voorstel van de gemeente de geometrische plaatsbepaling van de gebieden bedoeld in het eerste lid, onder b, vast.
**3.** Besluiten over de geometrische plaatsbepaling die zijn vastgesteld op grond van de Omgevingsverordening Provincie Groningen 2009 blijven van kracht.
Hoofdstuk
Artikel 2.26.7