Naar hoofdinhoud
1. Bij de toepassing van de regels van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: de bouwhoogte van een reclame- of een antennemast: vanaf het hoogste punt van het bouwwerk tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; de ashoogte van een windturbine: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; de wieklengte van een windturbine: de afstand tussen de uiterste punt van een wiek en de naaf. 2. In afwijking van het eerste lid, onder b, is de daar beschreven wijze van meten niet van toepassing op een kleine windturbine op daken van gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied.

Rechtspraak bij dit artikel