Naar hoofdinhoud
1. . In afwijking van artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, van de wet is het aan gemeenten in de provincie Groningen toegestaan om dieren van de in bijlage 9 aangewezen soort opzettelijk te vangen, of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen, ter bestrijding van overlast veroorzaakt door deze dieren. 2. . De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt ten behoeve van de in bijlage 9 bij de betreffende soort genoemde belangen, voor het in deze bijlage genoemde gebied, onder gebruik van de in deze bijlage genoemde middelen en onder de in deze bijlage genoemde voorschriften en beperkingen. 3. . Gedeputeerde Staten kunnen bij regeling voor een daarbij aangegeven periode of voor daarbij aangewezen bebouwde kommen de vrijstelling bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen indien afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van dieren van de in het eerste lid bedoelde soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel