Naar hoofdinhoud
1. Op grond van de Ontgrondingenwet is een vergunning niet vereist: voor aanleg en onderhoud van waterstaatswerken, wegen en bijbehorende kunstwerken, wanneer de ontgronding wordt uitgevoerd door of in opdracht van het Rijk, de provincie of een gemeente; voor het maken, wijzigen, onderhouden of verwijderen van funderingen en bouwwerken, het aanleggen onderhouden of verwijderen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, onderhouden of verwijderen van palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het delven, openen en ruimen van graven; voor het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van watergangen door of in opdracht van een waterschap, voor zover de ontgronding wordt uitgevoerd voor de waterhuishouding of de scheepvaart; voor het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet voor werkzaamheden die behoren tot de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf. voor het aanleggen, onderhouden of wijzigen van watergangen door anderen dan de beheerder, mits: grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau ongemoeid blijven, de watergangen een bovenbreedte hebben van niet meer dan 6 m, een bodembreedte niet meer dan 3 m, en, voor zover sprake is van een vastgesteld polder- of boezempeil, een diepte van niet meer dan 1 m beneden dat peil, en voor dat aanleggen, onderhouden of wijzigen de vereiste vergunningen en ontheffingen van het Waterschap in werking zijn getreden; het uitvoeren van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, mits het besluit in werking is getreden en niet is geschorst en het betreft het aanleggen, wijzigen of opruimen van een weg, spoorweg, plein, parkeerterrein of luchthaven; het aanleggen van een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, mits: grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau ongemoeid blijven, niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven, deze niet in open verbinding staat met een bestaand oppervlaktewatersysteem. 2.. Als voor een ontgronding een omgevingsvergunning is vereist voor het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een omgevingsvergunning is verleend op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van voornoemde wet, is een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet niet vereist, in het geval dat: grondlagen op grotere diepte dan 3,00 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en minder dan 10.000 m3 bodemmateriaal wordt weggenomen van de plaats waarop dit materiaal voor de ontgronding aanwezig was. 3. De in het eerste en tweede lid genoemde vrijstellingen zijn niet van toepassing op ontgrondingen, die strekken tot of tot gevolg hebben het geheel of gedeeltelijk afgraven van dijken of voormalige dijken, het verflauwen van het talud van dijken of voormalige dijken, het verlagen van de kruin van dijken of voormalige dijken of het maken of wijzigen van doorgangen in of overritten over dijken of voormalige dijken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel