Naar hoofdinhoud
1. Vergunningen en ontheffingen, hoe ook genaamd, verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 9.4 blijven van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken, voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening. 2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de regelingen bedoeld in artikel 9.4, blijven van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken, voor zover de bepalingen op grond waarvan deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening. 3. Vergunningen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid en verplichtingen als bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en verplichtingen te zijn in de zin van deze verordening. 4. Wanneer voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag is ingediend om een vergunning of ontheffing op grond van een verordening als bedoeld in artikel 9.4 en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 9.4. 5. Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift over een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid dan wel een voorschrift of beperking als bedoeld in het tweede lid, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 9.4. 6. Gebods- en verbodsbepalingen op grond waarvan een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 9.4 zijn niet van toepassing: gedurende zes weken na inwerkingtreding van deze verordening: ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. 7. De intrekking van de regelingen, bedoeld in artikel 9.4, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op grond van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 8. Het bepaalde in voorgaande leden van dit artikel geldt, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 9 . Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de eis in artikel 3a.21, eerste lid, voor de duur van ten hoogste 2 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017. 10 . Indien een ontheffing op basis van artikel 6, tweede lid, van de Boswet is verleend onder de voorwaarde dat periodiek rapportage plaatsvindt aan een instantie van het Rijk, dan dient deze ontheffing zo te worden gelezen dat rapportage plaatsvindt aan de Provincie Groningen. 11 . Indien aanpassing van de statuten of het reglement van een faunabeheereenheid noodzakelijk is voor erkenning als bedoeld in artikel 3a.12, dient deze aanpassing uiterlijk 1 januari 2018 gereed te zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel