2.3.1 Wanneer een cliënt een maatwerkvoorziening BW toegekend krijgt,
kan dat bij een gecontracteerde aanbieder BW ingezet worden in de vorm
van Zorg in Natura (ZIN).
2.3.2 De zorg, zoals beschreven in de beschikking moet binnen 3 maanden
na de datum op de beschikking afgenomen worden. Indien een cliënt zich
later meldt bij de aanbieder, kan het college een nieuw onderzoek
instellen.
2.3.3 Indien de cliënt de beschikte maatwerkvoorziening wil ontvangen
via een persoonsgebonden budget (PGB ), dan geldt als aanvullende
voorwaarde dat de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger een plan
moet opstellen. Dit plan, zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 van de
Verordening dient een motivering te bevatten:
op welke wijze een PGB leidt tot het bereiken van de voor cliënt
gewenste doelen en resultaten,
welke vorm van ondersteuning hierbij passend is,
op welke wijze het budget besteed gaat worden,
hoe de cliënt, op eigen kracht of met zijn vertegenwoordiger, de
bij een PGB behorende taken en verplichtingen uit kan voeren
zoals bedoeld in artikel 2.3.6, lid 2 onder a Wmo 2015.
2.3.4 Het ZVH beoordeelt of het plan zoals bedoeld in lid 2.3.3 leidt
tot het behalen van de doelen uit het Leefzorgplan van de cliënt.
2.3.5 Bij de beoordeling van de kwaliteit van een maatwerkvoorziening in
de vorm van een PGB, wordt uitgegaan van wettelijke kwaliteitseisen voor
de maatwerkvoorzieningen waarvoor het PGB bedoeld is.
2.3.6 Het college kent, met inachtneming van het bepaalde in de Wmo
2015, geen PGB toe als:
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende
situatie,
aan de cliënt eerder een PGB is verleend en de cliënt zich niet
gehouden heeft aan de bij de verleningvan dat eerdere PGB
gemaakte afspraken.
2.3.7 De aanbieder, die het PGB uitvoert voor de cliënt, kan nooit het
budget beheren van de cliënt aan wie hij de ondersteuning verleent.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.3
Maatwerkvoorziening BW
Onderdeel van Besluit Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang 2016