Een cliënt komt slechts in aanmerking voor een woonvoorziening als hij
aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en
alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of
een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen.
Hoofdstuk 4:
Artikel 4.8