1.De IRM kan bij afwezigheid vervangen worden (ten aanzien van taken, verantwoordelijkheden en
bevoegdheden) door een andere IRM, door een directielid of een medewerker van het betreffende
organisatieonderdeel. De AD stelt op voordracht van de IRM vast wie de vervanger is en legt dit vast in een
vervangingsregeling-/of besluit. De AD voert hierop een materiele toets uit, dat wil zeggen dat
vastgesteld moet worden dat vervangers in staat moeten worden geacht om inhoudelijk dezelfde
beoordeling uit te voeren als de medewerker die wordt vervangen.
2.Binnen een organisatieonderdeel kunnen medewerkers als onderling vervanger bij afwezigheid worden
aangewezen (ten aanzien van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden). De IRM stelt vast wie de
vervanger is en legt dit vast in een aanwijzingsregeling-/of besluit. De IRM voert hierop een materiele toets
uit, waarbij vastgesteld moet worden dat de vervanger in staat moet worden geacht om inhoudelijk
dezelfde beoordeling uit te voeren als de medewerker die wordt vervangen.