Het college stemt de boete altijd af op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de draagkracht van belanghebbende.
Bij de hoogte van de boete houdt het college rekening met de mate van verwijtbaarheid, waarbij als uitgangspunt geldt:
100% van het benadelingsbedrag als er sprake is van opzet;
75% van het benadelingsbedrag als er geen sprake is van opzet, maar wel van grove schuld;
50% van het benadelingsbedrag als er geen sprake is van opzet en geen sprake van grove schuld;
25% van het benadelingsbedrag als wordt voldaan aan de criteria in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten of om andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
De boete moet zodanig worden begrensd dat deze, rekening houdend met de draagkracht van de bijstandsgerechtigde, kan worden voldaan binnen:
24 maanden bij de mate van verwijtbaarheid genoemd onder lid 2 onder a;
18 maanden bij de mate van verwijtbaarheid genoemd onder lid 2 onder b;
12 maanden bij de mate van verwijtbaarheid genoemd onder lid 2 onder c;
6 maanden bij de mate van verwijtbaarheid genoemd onder lid 2 onder d.
Er wordt hierbij rekening gehouden met een fictieve draagkracht van 10 % van de toepasselijke bijstandsnorm.
Het college ziet geheel af van het opleggen van een boete:
bij dringende redenen;
als de gedraging niet verwijtbaar is.
Bij recidive zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.
Afstemming van de boete
Onderdeel van Beleidsregels boeteoplegging Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016 gemeente Velsen