Naar hoofdinhoud
Van een verantwoorde gift als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m van de wet is sprake indien: de gift aantoonbaar betrekking heeft op kosten die niet in de algemene bijstand zijn begrepen en het totaalbedrag aan vrijgelaten of vrij te laten giften op jaarbasis niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm over een maand, of; sprake is van een gift in het kader van een, naar het oordeel van het college, bijzondere gelegenheid, de gift niet hoger is dan € 250,- per gezinslid op jaarbasis en het totaalbedrag aan vrijgelaten giften op jaarbasis niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm over een maand, of; sprake is van zakgeld of spaargeld voor een minderjarig inwonend kind, dit bedrag niet hoger is dan € 250,- per kind op jaarbasis, het totaalbedrag aan vrijgelaten giften op jaarbasis niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm over een maand en geen sprake is van alimentatiebetalingen, of; de gift aantoonbaar is aangewend voor de ontwikkeling of het welzijn van een minderjarig inwonend kind, dit bedrag niet hoger is dan € 250,- per kind op jaarbasis, het totaalbedrag aan vrijgelaten giften op jaarbasis niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm over een maand en geen sprake is van alimentatiebetalingen, of; de gift aantoonbaar is aangewend ter afbetaling van een schuld die bij de vaststelling van het vermogen is meegenomen, of; de gift op zodanige wijze is aangewend dat uitstroom uit de bijstand het directe gevolg is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel