Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6

Wijze van heffing, termijn van betaling en restitutie

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering parkeerbelastingen 2016

1.. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het, bij aanvang van het parkeren, op de door het college van burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze betalen van geld met behulp van parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennisgegeven. Ten aanzien van het hier voorafgaande bepaalde moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. 2.. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij het verlenen van de vergunning. Voldoen via een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt hier met betalen gelijkgesteld. 3.. Indien de belastingplicht met betrekking tot de belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, in de loop van de zes maanden waarvoor de vergunning is verleend, eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog resteren. De Parkeerverordening 2013 geeft de voorwaarden bij de beëindiging van de vergunning. 4.. Een naheffingsaanslag moet terstond, inclusief de kosten van de naheffingsaanslag zoals bedoeld in art. 9, en voor zover van toepassing verhoogd met de andere kosten zoals bedoeld in art. 9, worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel