Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 5.1. onder b en c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in het artikel 5.1 onder a, onmogelijk maken dan wel;
een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in het artikel 5.1 onder a niet aanwezig is.
voor de in artikel 5.1 genoemde voorzieningen geldt dat deze ook in combinatie verstrekt kunnen worden.