Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 2.

Artikel 20.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de raadscommissie

1.. Nadat de voorzitter een agendapunt aan de orde heeft gesteld, kunnen aanwezigen die geen lid zijn van de commissie, daarover het woord voeren. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden over: een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3.. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste 24 uur voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. 4.. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. 5.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. 6.. De voorzitter doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de spreker.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel