Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 6.

Zittingsduur en vacatures

Onderdeel van Verordening op de raadscommissie

1.. De zittingsperiode van een lid, eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2.. Een raadslid houdt op lid te zijn van de raadscommissie op het moment dat zijn lidmaatschap van de raad eindigt. 3.. Een burgerraadslid houdt op lid te zijn van de raadscommissie: indien hij niet meer voldoet aan de eisen als bedoeld in de artikelen 10 en 13 van de Gemeentewet; indien de raad hem ontslaat op voorstel van het college wegens handelen in strijd met artikel 15 van de Gemeentewet; indien de raad hem ontslaat op voorstel van de fractie op wiens voordracht hij is benoemd. 4.. De raad kan de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter ontslaan. 5.. Een lid kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 6.. Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van artikel 4 en 5. 7.. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van de burgerraadsleden die op voordracht van die fractie zijn benoemd, van rechtswege.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel