Tot 2015 kocht elke gemeente voor het eigen budget educatie in en waren de gemeenten gedwongen om het gehele educatiebudget bij de ROC’s te besteden. Met ingang van 2015 is de gedwongen winkelnering gefaseerd losgelaten en zijn de gemeentelijke budgetten samengevoegd tot een regiobudget. Doel is om de middelen doelmatiger te besteden. Doordat een deel van het educatiebudget vrij komt, is het mogelijk om naast de verschillende ROC’s in de regio (de bestaande relaties met de verschillende ROC’s worden gecontinueerd) ook een deel van het budget bij andere aanbieders in te zetten (de ‘vrije ruimte’). Daarmee ontstaat de mogelijkheid om nieuwe instrumenten te ontwikkelen waarbij ook niet-diplomagerichte activiteiten mogelijk zijn. De activiteiten kunnen naast professionele docenten ook door vrijwilligers worden uitgevoerd. Alle trainingen/cursussen dienen echter wel te voldoen aan de vastgestelde eindtermen volwasseneneducatie (kwaliteitsborging). Informele activiteiten die niet gericht zijn op de eindtermen mogen niet bekostigd worden vanuit de WEB.
Binnen dit kader kunnen aanbieders hun educatieaanbod inrichten naar de specifieke behoeften van de doelgroepen. Bij de uitvoering van educatie-activiteiten wordt zoveel mogelijk flexibiliteit betracht zodat inwoners uit alle gemeenten optimaal bediend kunnen worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de educatievoorzieningen voor de verschillende doelgroepen. Voor 2016 is er voor gekozen dat elke regiogemeente keuzes maakt voor de eigen gemeente. Binnen het beschikbare budget voor de betreffende gemeente kiest de gemeente voor het percentage van het budget dat bij het ROC wordt besteed (minimaal 50% in 2016) en legt voorstellen voor aan de contactgemeente Zoetermeer voor het inkopen van bepaalde educatie-activiteiten (zowel bij ROC als bij andere uitvoerders). Wanneer er behoefte is aan educatie-activiteiten op verschillende niveaus kan het aanbod variëren van alfabetisering op laag niveau tot Nederlands op staatsexamenniveau. Educatie-activiteiten moeten een sluitende leerlijn vormen van een laagdrempelig informeel aanbod tot formele diplomagerichte cursussen. De duurdere trajecten worden voor een groot deel ingezet voor inwoners die maar een klein zetje nodig hebben om door te kunnen stromen naar werk en/of opleiding. Goedkopere vormen van taalactiviteiten worden ingezet voor inwoners die geen diploma nodig hebben en/of een langere afstand moeten overbruggen tot de arbeidsmarkt.
De verschillende taal/rekentrajecten zijn in onderstaande tabel opgenomen
Doelgroep
Opleiding en niveau
Laaggeletterden (NT1)
Opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering (=1F) en op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs (=2F)
Niet gealfabetiseerde anderstaligen (NT2)
Opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering (alfa A, B en C)
Anderstaligen (NT2)
Opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een basisniveau Nederlandse taal (A2)
Hoogopgeleide anderstaligen (NT2)
Opleidingen Nederlands als tweede taal I (niveau B1) en II (niveau B2) die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal
Het is daarbij mogelijk dat inwoners uit de ene gemeente deelnemen aan aanbod binnen een andere gemeente als daar plek is en er in de eigen gemeente een wachtlijst is of geen vergelijkbaar aanbod. De voorlopige verdeling van de middelen over de verschillende educatievoorzieningen en aanbieders is opgenomen in bijlage 1. Een korte toelichting per gemeente is opgenomen in hoofdstuk 15.
In het kader van de landelijke aanpak van laaggeletterdheid worden in steeds meer gemeenten zogenaamde Taalhuizen opgericht. Dit zijn over het algemeen samenwerkingsverbanden tussen de plaatselijke bibliotheek, verschillende aanbieders van taaltrainingen en de gemeente. In 2016 hebben de deelnemende gemeenten allen ervoor gekozen om het vrije budget vooral te koppelen aan de verdere ontwikkeling van de in de gemeente in ontwikkeling zijnde Taalhuizen. In elke regiogemeente zijn ondertussen één of meerdere Taalhuizen.
De Taalhuizen kunnen verschillende functies hebben variërend van een informatie- en adviespunt met doorverwijzing naar mogelijke aanbieders tot het zelf uitvoeren van (taal)trainingen binnen de fysieke muren van de bibliotheek. Ook bieden de Taalhuizen aanvullende taalondersteuning door taalvrijwilligers. De activiteiten binnen een Taalhuis worden, voor zover de WEB-regels dat toestaan, zoveel mogelijk gefinancierd met WEB-middelen.
De regiogemeenten hebben ervoor gekozen om het educatieaanbod te realiseren op lokaal niveau binnen de betreffende gemeentegrenzen, er is niet voor gekozen om gezamenlijk educatievoorzieningen op regionaal niveau in te kopen.
Redenen daarvoor zijn de oriëntatie op de lokale context in relatie tot andere beleidsterreinen (bijvoorbeeld sociale zekerheid), de natuurlijke oriëntatie van oudsher van verschillende regiogemeenten op andere arbeidsmarktregio’s (bijvoorbeeld Haaglanden, de regio Rotterdam of de regio Leiden) en de onzekerheid t.a.v. de uitvoering van de wet met ingang van 2018. De huidige uitvoering van de WEB met een regionaal budget, de aansluiting op de arbeidsmarktregio en de functie van contactgemeente wordt in 2017 geëvalueerd om te bepalen of de WEB als aparte regeling blijft bestaan of dat de WEB onderdeel moet worden van het gemeentelijk sociaal domein. Als dat doorgang vindt, worden de individuele gemeenten weer eigenstandig verantwoordelijk voor de aanpak van laaggeletterdheid en komt de regionale samenwerking te vervallen.
Artikel 13.
Verdeling middelen over educatievoorzieningen 2016
Onderdeel van Regionaal programma educatievoorzieningen 2016