Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 7

Bevoegdheden bestuur

Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH

Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de werkorganisatie komen toe aan het bestuur. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot:: het vaststellen en wijzigen van de begroting; het vaststellen van de jaarrekening; het vaststellen van de jaarlijkse kadernota; het vaststellen van de benodigde verordeningen, regelingen en nota’s ten behoeve van de werkorganisatie; de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet; het beheer van de inkomsten en uitgaven van de werkorganisatie; het vaststellen van rechtspositionele regelingen; benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de werkorganisatie; het aanwijzen van een of meerdere heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, belastingdeurwaarders en leerplichtambtenaren; het doen van voorstellen tot toetreding alsmede het regelen van de gevolg van uittreding; het opleggen van voorwaarden voor uittreding; het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening; het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van de werkorganisatie; het behartigen van de belangen van de werkorganisatie bij andere overheden, instellingen of personen. Een bevoegdheid kan niet worden overgedragen als de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. Het bestuur neemt alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit van de werkorganisatie. Onverminderd het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen kan het bestuur besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en niet voordat de raden in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel