Naar hoofdinhoud
Bij de verlening van bijzondere bijstand voor de hieronder vermelde specifieke kostensoorten gelden de daarbij vermelde bijzondere bepalingen: duurzame gebruiksgoederen: Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt in beginsel verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand voor duurzame gebruiksgoederen worden de mogelijkheden om gebruikte goederen aan te schaffen in aanmerking genomen. Wanneer bijstand verleend wordt een volledige woninginrichting wordt de bijstand voor duurzame gebruiksgoederen gemaximeerd op: € 2965,00 voor gehuwden; € 2075,00 voor een alleenstaande (ouder); € 250,00 voor elk inwonend inkomensafhankelijk kind. Personen op wie de kostendelersnorm van toepassing is, worden geacht in gelijke mate verantwoordelijk te zijn voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. In dat geval wordt het maximum per persoon bepaald door het bedrag voor gehuwden te delen door het aantal in de berekening van de kostendelersnorm opgenomen personen. Indien bijstand wordt verleend in de vorm van borgtocht als bedoeld onder a., wordt tevens bijstand verleend voor de kosten van rente en aflossing van de met de kredietinstelling als genoemd in artikel 49 van de wet overeengekomen geldlening, voor zover deze kosten hoger zijn dan de hieronder in artikel 8.7 bedoelde aflossingsbedragen. levensonderhoud van personen van 18, 19 of 20 jaar als bedoeld in artikel 12 van de wet: Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van zijn bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn, of de belanghebbende het onderhoudsrecht jegens de ouders redelijkerwijs niet te gelde kan maken. Van noodzakelijke bestaanskosten, die de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaan, kan uitsluitend sprake zijn als de belanghebbende zelfstandige huisvesting heeft én deze zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld, rekening houdend met de individuele omstandigheden, doch maximaal op de ingevolge artikel 21 van de wet geldende norm voor een 21-jarige. woonkosten: Wanneer de woonkosten de maximale rekenhuur op grond van de Wet op de huurtoeslag niet overschrijden, bestaat recht op bijzondere bijstand voor woonkosten, indien: een huurwoning wordt bewoond, waarvoor recht bestaat op een huurtoeslag, maar deze toeslag als gevolg van een hoger inkomen in een voorliggende periode van het kalenderjaar lager is vastgesteld dan op basis van het actuele inkomen zou plaatsvinden; een huurwoning, huurwoonwagen of huurwoonboot wordt bewoond, waarvoor nog geen recht of geen recht meer bestaat op een huurtoeslag, omdat een huurtoeslag uitsluitend wordt verstrekt wanneer gedurende de volledige maand huur verschuldigd is; een eigen woning, woonwagen of woonboot wordt bewoond. De bijzondere bijstand voor woonkosten is gelijk aan de huurtoeslag, berekend in overeenstemming met de Wet op de huurtoeslag bij een inkomen op het minimumniveau, verminderd met de toegekende huurtoeslag of een daarmee vergelijkbare bijdrage in de woonkosten. Wanneer de woonkosten de onder a. bedoelde rekenhuur overschrijden, wordt de bijzondere bijstand in overeenstemming het gestelde onder b. berekend, met dien verstande dat de woonkosten die uitgaan boven de maximale rekenhuur volledig voor bijstand in aanmerking komen. Aan de verstrekking van de onder c. bedoelde bijzondere bijstand wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 12 maanden na aanvang van deze bijstand verhuist naar passende woonruimte, waarvoor aanspraak op huurtoeslag bestaat. alleenstaande ouders: De alleenstaande ouder, die algemene bijstand ontvangt en van de Belastingdienst geen alleenstaande ouderkop ontvangt omdat: de alleenstaande ouder -nog- een partner heeft als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, of de alleenstaande ouder recent naar Nederland gekomen is en door de Sociale Verzekeringsbank -nog- niet gekwalificeerd is als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet, of een co-oudersituatie bestaat waarin het kind/de kinderen op het adres van de andere co-ouder ingeschreven is/zijn, de andere co-ouder het kindgebonden budget ontvangt en een regeling van de kosten tussen de beide ouders niet mogelijk is, heeft recht op bijzondere bijstand ter hoogte van het bedrag van artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, herrekend naar een bedrag per maand en voor de co-ouder naar evenredigheid van het aantal dagen per week dat hij als alleenstaande ouder wordt aangemerkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel